Uncategorized

Met Europa verbonden. En dan?

Met Evert-Jan Mulder, Principal Consultant Europa/Internationaal PBLQ

Inleiding

Recent heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur advies uitgebracht over de relatie tussen Europa en decentrale overheden. De ROB constateert in dit advies dat Europa (lees de Europese Unie) een steeds grotere invloed heeft op decentrale overheden. Enerzijds “moeten” overheden steeds meer van Brussel, als gevolg van toenemende wet- en regelgeving. Anderzijds biedt Europa ook diverse kansen, in termen van samenwerking, kennisontwikkeling en financiering. Kortom, decentrale overheden zijn en worden steeds meer met Europa verbonden. Dat is dan ook de titel van het ROB-advies.

“Met Europa verbonden” kijkt vooral naar de bestuurlijk-juridische gevolgen van deze toenemende vervlechting tussen Europa en de decentrale overheden. Met name de interbestuurlijke verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden binnen de Europese context komen aan bod. De ROB constateert hier een interessante ontwikkeling. Enerzijds neemt de bemoeienis van de EU met nationaal beleid toe, anderzijds is er sprake van een afnemende verantwoordelijkheid van het rijk als gevolg van allerlei decentralisaties. Wat zijn hiervan de gevolgen voor de bestuurlijke verhouding tussen Europa en de Nederlandse overheid, en wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse interbestuurlijke verhoudingen? Voeren straks bijvoorbeeld de provincies de onderhandelingen over het milieubeleid—dat steeds meer een verantwoordelijkheid van de provincies is geworden—in plaats van het ministerie van I&M?

Het ROB-advies gaat niet in op de vraag wat de effecten zijn van de toenemende Europeanisering van decentrale overheden en welke factoren daarop van invloed zijn. Het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden (Campus Den Haag) heeft in 2012, in samenwerking met PBLQ, deze vraag onderzocht voor gemeenten. Het onderzoek, uitgevoerd door een aantal Master studenten, was gebaseerd op diepteonderzoek in 8 gemeenten (op basis van verschillende kenmerken geselecteerd) en een survey waarop 147 van de 418 gemeenten hebben gereageerd (respons van 35,4%). Het onderzoek is daarmee een goede graadmeter van de wijze waarmee Nederlandse gemeenten met de EU omgaan. Hoofdconclusie is dat gemeenten nog (lang) niet alle kansen pakken die de EU ze biedt.

Bevindingen

De onderzoekers hebben gekeken in hoeverre verschillende gemeentelijke kenmerken van invloed zijn op de wijze waarop gemeenten met de Europese Unie omgaan. Het blijkt dat bevolkingsdichtheid en gemeentegrootte inderdaad invloed hebben op de verhouding die de gemeente heeft met Europa. Zo hebben landelijke gemeenten minder vaak een specifieke Europa-strategie en achten de ambtenaren van die gemeenten de EU minder relevant voor hun organisatie. Ook vinden landelijke gemeenten het lastiger om Europese subsidies te verkrijgen. Grotere (en vaak niet-landelijke) gemeenten komen makkelijker aan Europese fondsen, althans naar het oordeel van de onderzochte gemeenteambtenaren.

Mogelijke verklaringen hiervoor liggen in het feit dat in grotere gemeenten meer aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van een Europa-strategie, zoals uit het onderzoek blijkt. Daarnaast is er in grote gemeenten meer capaciteit om met Europese zaken om te gaan en voor het verspreiden en borgen van relevante kennis. In kleine gemeenten geven ambtenaren aan dat er onvoldoende kennis aanwezig is om actief met de EU om te gaan.

Wellicht belangrijker nog dan de beschikbare capaciteit is het feit dat grote gemeenten vaker een proactieve houding hebben ten aanzien van de EU. Grote gemeenten zien de EU eerder als een kans om gemeentelijke doelstellingen te realiseren dan kleine gemeenten. In het verlengde daarvan werken grotere gemeenten vaker samen met andere gemeenten en lobbyen actief in Brussel, wat de kans op toewijzing van een subsidie vergroot. Zodra een gemeente eerder een subsidie heeft ontvangen zijn ambtenaren aanzienlijk positiever over de mogelijkheden die Europese subsidieregelgeving schept voor lokale overheden.

Succesvolle “europeanisering” is voor een belangrijk deel gestoeld op het verzamelen van kennis en het vervolgens integreren van die kennis in de gemeentelijke organisatie. Of zoals een ambtenaar van één van de vijf grootste gemeenten hierover zegt: “Kennis over meer actuele ontwikkelingen is beperkt aanwezig, terwijl daar juist de belangrijke aanknopingspunten zitten om invloed uit de oefenen op wat er in Brussel, maar ook op wat bij het Rijk, gebeurt, en te sturen op de gevolgen voor de gemeente”. Kleinere gemeenten geven aan dat zij die kennis in onvoldoende mate hebben. Ook worden ambtenaren in kleine gemeenten nauwelijks gestimuleerd om hun kennis over Europa up-to-date te houden. Ongeveer 70 procent van de onderzochte ambtenaren gaf aan dat dit een verbeterpunt is. Wel geven sommige kleinere gemeenten aan dat wanneer meer complexe kennis nodig is, deze extern wordt aangetrokken.

Interessant punt is ook de wijze waarop gemeenten met Europees geld omgaan. In veel gevallen zijn de huidige werkzaamheden en doelen van de gemeenten niet het vertrekpunt om subsidies te zoeken, maar wordt eerst gekeken naar de programma’s voor Europese subsidies, waar vervolgens weer projecten bij gezocht worden. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat er een groep ambtenaren bestaat die niet eens op de hoogte is van het feit dat hun gemeente een Europese subsidie ontvangt.

Conclusie

Het onderzoek laat zien dat er duidelijke verschillen bestaan tussen grote en kleine gemeenten als het gaat om hun houding ten aanzien van Europa. Grote gemeenten blijken vaker een ‘Europa-strategie’ te hebben, beter op de hoogte te zijn van Europese wet- en regelgeving en succesvoller te zijn in het verkrijgen van Europese subsidies. Voor een deel is dit te verklaren door de grotere capaciteit en financiële middelen die grote gemeenten hebben. Nog belangrijker is dat grote gemeenten Europa als meer relevant ervaren en dus een meer actieve houding hebben ten aanzien van de EU.

Het hebben van een proactieve houding ten aanzien van Europa blijkt alle betrekkingen met de EU ten goede te komen, of het nu gaat om kennis van Europese wet- en regelgeving (en daarmee kosteneffectiever omgaan) of het verwerven van Europese subsidies. Bij grote gemeenten ontstaat deze bewustwording en actieve houding wat makkelijker doordat men bijvoorbeeld een speciale Europa-afdeling kan opzetten.

Kleine gemeenten kunnen op dit vlak echter ook hun voordeel doen. Het onderzoek laat zien dat kleine gemeenten vaak externe partijen aantrekken bij complexere problematiek. Het nadeel hiervan is dat die kennis vervolgens niet binnen de organisatie wordt geborgd. Anderen zoeken een oplossing gevonden door het opzetten van samenwerkingsverbanden met andere gemeenten. Deze oplossing bespaart capaciteit bij de betrokken gemeenten en zorgt er tegelijkertijd voor dat kennis uitgewisseld en geborgd wordt in de organisatie. Dat bevordert tevens de houding die ambtenaren hebben ten aanzien van de EU. Bovendien zijn gemeenten die al samen lobbyen voor subsidies vaker succesvol hierin.

Samenwerking kan ook op een hoger, bestuurlijk niveau. In plaats van ‘ieder voor zich’ zou een overkoepelende organisatie vooral kleinere gemeenten kunnen steunen, zowel in kennis als belangenbehartiging. De VNG of het Kenniscentrum Europa Decentraal zouden deze rol (meer) op zich kunnen nemen en uitwisseling van ervaringen tussen alle gemeenten kunnen stimuleren. Dat biedt mogelijkheden tot uitwisseling tussen gemeenten, maar ook om met anderen een sterkere positie te verwerven ten aanzien van vraagstukken die in Europa worden bepaald.

Hoe verder?

De conclusies uit het onderzoek van de Universiteit Leiden en PBLQ laat een aardige discrepantie zien met de conclusie van de ROB uit “Met Europa verbonden”. De ROB constateert terecht een onmiskenbare groeiende beleidsimpact van de Europese Unie op decentrale overheden. Tegelijkertijd laat het onderzoek van Leiden en PBLQ zien dat deze beleidsimpact zich niet meteen vertaalt in adequate organisatorische aandacht voor de EU. Er is bij gemeenten nog veel te winnen waar het gaat om onder meer bewustzijn van het belang van de EU, het ontwikkelen en borgen van EU-expertise, het formuleren van een concrete EU-strategie en het benutten van EU-subsidies. Deze conclusie spoort met uitkomsten uit eerder onderzoek dat PBLQ heeft verricht onder een groot aantal ambtenaren van zowel centrale als decentrale overheden (Europa, wat doe je ermee?). Voor gemeenten betekent dit dat de komende tijd meer zal moeten worden geïnvesteerd in de relatie met Europa. Daar kunnen en moeten landelijke organisaties zoals de VNG en Europa Decentraal een entamerende en faciliterende rol bij vervullen.

Uiteindelijk zijn gemeenten echter zelf verantwoordelijk voor de concretisering van de relatie met Europa. Dat betekent dat zij op zijn minst aandacht moeten schenken aan de volgende drie onderwerpen:

  • In de eerste plaats moeten zij zelf op de hoogte zijn van wat er speelt op Europees niveau. Dat betekent dat monitoring van de EU moet plaatsvinden vanuit de verschillende taken en verantwoordelijkheden van de gemeente.
  • In de tweede plaats moeten gemeenten beleidsmatig hun relatie met Europa definiëren. Hoe raakt Europa de gemeente? Waar liggen de kansen, waar liggen verplichtingen, en waar liggen samenwerkingsmogelijkheden met Europa maar ook met de buurgemeenten en de provincie?
  • Tot slot moeten gemeenten een EU strategie hebben, die de geformuleerde Europese doelen vertaalt in een concreet handelingsperspectief, met ‘namen en rugnummers’.

Alleen op deze manier kunnen gemeenten daadwerkelijk invulling geven aan hun verbinding met Europa.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s