EU law, European Parliament, Euroscepticism, Future of the EU, Social policy and anti-discrimination, the Netherlands

‘White Paper on the Future of Europe’: gaan we over een ‘ander’ Europa nadenken?

De verkiezingen in Nederland en Frankrijk laten zien dat er nog steun voor het Europese project is, maar Europa moet veranderen. Weliswaar heeft Macron de Presidentsverkiezingen gewonnen, maar 34% van de Franse bevolking steunde Le Pen en het voornemen van het ‘Front National’ om de EU te verlaten. Ook Macron heeft aangegeven dat we niet op dezelfde Europese weg kunnen blijven doorgaan. In Nederland zijn meer meningen te vinden, maar de PVV, die als twee-na grootste partij in de laatste verkiezingen naar voren kwam, wil dat Nederland zo snel mogelijk het Europese avontuur opgeeft. Kortom, Europa is niet meer een onomstreden project, maar een politieke zorg geworden.

Na het Brexit referendum zijn de Europese leiders gestart met een nieuwe (zelf-)reflectie over de toekomst van Europa. Tijdens de top van Bratislava in september 2016 is het startschot gelost voor een indringend politiek reflectieproces. De bedoeling is dat dit proces, waarbij ook de buitenwacht wordt betrokken, tot een afronding komt voor de verkiezingen van het Europese Parlement in 2019. Of dat gaat lukken, en of dit proces tot een voor velen aansprekend Europa komt, is de vraag.

In ieder geval heeft de Juncker-Commissie op 1 maart jl. een algemene nota opgesteld met daarin een aantal denkrichtingen of scenario’s. Deze scenario’s omvatten de mogelijkheid van gewoon ‘doormodderen’ tot een politieke vlucht naar voren in de vorm van ‘veel meer samendoen’. Daartussen liggen opties om alleen de interne markt te bedienen, zich te richten op een beperkt aantal beleidsterreinen met de belofte om het dan wel ‘efficiënter’ te doen en de mogelijkheid van een Europa van ‘meerdere snelheden’.

De verschillende scenario’s zijn nog erg vaag zodat het amper mogelijk is om de voor- en nadelen op een rij te zetten. Ook wordt in de analyse van de Europese Commissie de gevolgen voor de reislustige en vooral ‘kosmopolitische’ burger haarfijn uiteengezet. Dat levert meteen de vraag op dat nu de burger is die zich tegen het Europese project heeft gekeerd en die de Commissie nu moet overtuigen van het ‘nieuwe’ Europa. De aanhangers van Le Pen, maar ook van de PVV in Nederland, zitten waarschijnlijk niet te wachten op allerlei sociale en andere rechten in het Europese buitenland: hun zorg is dat zij thuis maar amper hun hoofd boven water weten te houden en daardoor allerlei andere zorgen hebben.

De Rabobank heeft verschillende scenario’s van de Commissie op hun economische effecten beoordeeld. Daarbij is ook de optie van het uiteenvallen van de EU aan het pallet toegevoegd. De resultaten zijn niet verrassend: bij het uiteenvallen van de EU zijn de economische gevolgen heeft meest negatief. De economische groei zakt in, de werkloosheid neemt sterk toe, Nederland verliest haar leidende rol als haven van Europa, en de pensioenfondsen zien hun dekkingsgraad dalen ondanks stijgende rente en inflatie. Het scenario van meer samenwerken heeft het meest positieve effect op de economie. Bij doormodderen en twee snelheden zijn de effecten minder spectaculair (en waarbij de optie van twee snelheden het beter doet), maar daarbij past wel de aantekening dat doormodderen waarschijnlijk tot uiteenvallen leidt, wat een weinig plezierig vooruitzicht is.

De scenario’s van Juncker worden op dit moment verder uitgewerkt op deelaspecten. De Commissie heeft besloten om via reflectiepapers de mogelijkheden te verkennen. Het eerste paper is op 26 april jl. verschenen en gaat in op de sociale dimensie van Europa. Daarin wordt nagedacht over vragen als: zullen we sociale rechten beperken tot alleen het vrije verkeer van EU-burgers? En zou sociaal beleid een onderdeel moeten zijn van een kerngroep op het moment dat voor een Europa van twee-snelheden wordt gekozen? Afgelopen week is een tweede paper verschenen over globalisering. Daarin wordt ingaan op de gevolgen van globalisering en het idee dat Europa de scherpe kantjes van die ontwikkeling moet wegnemen. Dat zou niet via meer protectionisme moeten leiden, maar tot een betere verdeling van de baten van internationale handel, via ondersteunende sociale voorzieningen en subsidies. De vraag is of verstandig is dat Europa nu ook voor zichzelf een taak ziet op het terrein van sociale zekerheid. Dat is een taak die traditioneel bij lidstaten is belegd en waarbij sprake is van een enorme diversiteit, zowel in termen van nationale koopkracht als de wijze waarop die taken nationaal worden bekostigd.

Er volgen nog reflecties over de EMU, defensie en het Europese budget. Wat mist is een reflectie over burgers en legitimiteit. Zou het niet verstandig zijn om ook daarover een grondige analyse te maken? De huidige malaise lijkt vooral veroorzaakt te worden door ontevreden kiezers die niet meer geloven in de voordelen van Europese samenwerking.  Om die kiezers weer voor Europa te winnen, is op z’n minst informatie over oorzaken en problemen nodig.

Meer in het algemeen zijn de analyses die tot dusverre zijn gemaakt nog niet erg overtuigend. Weliswaar wordt aangegeven dat we in dit debat over het ‘nieuwe’ Europa vooral ‘out-of-the-box’ moeten denken, maar sommige oplossingen blijven wel heel dicht bij bestaande ideeën uit Brussel. Een voorbeeld is het recente debat over Europees ouderschapsverlof in het kader van een meer sociaal Europa. Daarbij komt meteen de vraag op of dat nu niet veel beter nationaal of zelfs regionaal kan worden geregeld. Is het niet beter dat de vaders in Nederland de onderhandelaars aan het Binnenhof oproepen wat aan hun situatie te doen dan ouderschapsverlof Europa-breed te regelen?

Verder is in het kader van een reflectie over Europa een aantal aspecten nog onvoldoende benoemd. Uitgangspunten die een rol zouden moeten gaan krijgen in een debat over Europa. Dat zijn in ieder geval de volgende:

  1. Het loslaten van het gelijkheidsdenken in Europa: in veel discussies over nieuw beleid wordt vaak het argument ingebracht van het streven naar een ‘level-playing field’. Daarmee wordt bedoeld dat verschillen tussen landen nadelig zijn voor de beleidsuitvoering of ongelijkheid kunnen veroorzaken. Mijn voorstel is dit argument nu maar eens te gaan mijden. Verschillen tussen landen, maar ook tussen regio’s, gemeenten, buurten en mensen bestaan. De vraag is of dit erg is. En wanneer we daarover twijfelen moeten we gewoon burgers maar eens vragen of zij een taak regionaal, nationaal of Europees geregeld willen hebben. Dan komen we er wellicht achter dat Europa vaak niet nodig is.
  2. Het loslaten van het idee dat Europa veel problemen oplost: vaak worden allerlei problemen op de Europese beleidsagenda geplaatst waarbij het maar de vraag is of die, op een zinvolle wijze, door middel van Europees beleid kunnen worden aangepakt. Ex-post evaluatieonderzoek laat zien dat dit vaak knap lastig is. Opvallend is ook dat vaak geen ex-post evaluaties worden uitgevoerd, ook wanneer dat eerder wel was afgesproken. Kortom, is het maar de vraag of Europa veel kan met de problemen die nu op de beleidstafel worden gedeponeerd. Dat creëert alleen maar te hoog gespannen verwachtingen zonder dat er veel zal veranderen.
  3. Het verminderen van onnodige regels: de Europese Commissie probeert al enige tijd met het Regulatory Fitness and Performance programma (REFIT) de regeldruk vanuit de EU te verminderen. Onnodige regels worden geschrapt, terwijl niet-werkende regels worden vervangen. Dit programma zou de komende tijd nog intensiever moeten worden doorgezet met steun van de Europese wetgever (e.g. de lidstaten en het Europees Parlement), die ook bereid moet zijn die onnodig regels daadwerkelijk te schrappen. Niet ieder regel is een behulpzame regel die mensen helpt om problemen aan te pakken. Ook komt daarbij opnieuw de vraag aan de orde of een aanpak niet beter op nationaal, regionaal of lokaal niveau georganiseerd kan worden.
  4. Het versterken van de gewone wetgevingsprocedure: nog steeds is binnen de EU de gewone wetgevingsprocedure, waarin het Europees Parlement een rol heeft, geen gemeengoed. Op verschillende terreinen wordt nog steeds wetgeving door de lidstaten gemaakt. Verder komt verreweg de meeste regelgeving uit de hoek van de Commissie. Op basis van delegatiebepalingen maar ook de bevoegdheid uitvoeringswetgeving af te kondigen, is de Commissie de grootste producent van verordeningen en richtlijnen. Voor een Europa van de burger, waarbij transparante en het kunnen volgen van procedures belangrijk is, is deze praktijk onverstandig. Hier zou de Commissie, maar ook de lidstaten, hand in eigen boezem moeten steken door met de burgers van Europa af te spreken om veel meer regelgeving via het Europese Parlement te laten verlopen.

Met deze vier aanvullende uitgangspunten komt de discussie over Europa al wat verder weg te staan van het bestaande en bekende. Laten we hopen dat wij de komende jaar, politiek en maatschappelijk, eens behoorlijk buiten die gangbare paden treden. Dat is goed voor Europa, Europees beleid en Europese kiezers.

Britain, Economic policy and the Single Market, Euro, Future of the EU, Regional policy and co-operation, Social policy and anti-discrimination, Uncategorized

Challenges for European regions: social-economic problems and the need for more Europe-wide democracy

Celebrating the 20th anniversary of Randstad Regio last week in Brussels, the question arose what the future is for European regions. The economic crisis seems to strengthen the tendency towards centralization both in the European Union (for example, fiscal policy making) as well as in its member states. Still, regions as well as municipalities could play an important role in the Union that is troubled by limited legitimacy. Many citizens do not regard the Union as the government that is providing public services to them.

The economic crisis has led, as an emergency measure, to closer European cooperation on fiscal policy making. With the coming into force of the Fiscal Compact, the member states have designed a complex arrangement of fiscal norms as well as monitoring devices to control national government spending. What is fascinating about this development is that the increase of European fiscal power will reinforce a call for a European view on social-economic policy. Fiscal and social-economic policy making often go hand-in-hand and cannot be easily disconnected. National budgets were often used to combat economic stagnation and to stimulate economic growth and employment. Moreover, these problems have a strong spatial component, because economic problems are not the same in all parts of the EU (or a country if you wish), while solutions to these problems often have a strong regional component. Here lies a first challenge to European regions in the coming years. How can they support and contribute to social and economic development, together with others? And how can regions participate in the further development of these policies both at the national and the European level? In my view, their input will be essential for the success of these policies.

The second and but connected issue relates to the role of citizens in Europe—since 2013 is the year of the European Citizen, it warrants further attention. In his speech on the future of Europe David Cameron mentions one point I agree with and that is that citizens still have a problem identifying Europe as a government for them. I disagree with Cameron that a possible British exit would be the right answer to this problem, but that is a different issue. It seems that so far we have not given a good answer to this problem. In a reply to Cameron, the president of the European Parliament, Martin Schultz, proposes to have more transparency and ‘open’ debates in Europe. I am not convinced that this is the way to go.

Our national governments, including regions, are struggling with the increased mobility of goods, persons and services, while citizens also would like to see their local and national choices being respected. In trying to be as efficient and effective as possible, the Union seems to have taken on more and more tasks over time. Many problems nowadays have cross border effects suggesting that solutions need to be developed at the European level. But is that really necessary? Not all problems with cross border effects need to be resolved by Brussels. Not all problems put on the European agenda need to lead to Europe-wide legislation. Subsidiary needs to be taken seriously, also when it concerns the distribution of tasks between national and sub national governments. Unfortunately, for many the consequences of greater mobility are not yet clear. Moreover, often this discussion is dominated by nationalism and populist rhetoric. Still, what is needed is a discussion about the role of various levels of governments in Europe, including regions. If we want to be democratic, we may have to live with some policy inefficiency. When regional governments can no longer adapt their policy to the demands of their citizens, our democracies will be in danger. That is a second challenge for all of us, also for regions!

Europe in the news, Public opinion, Social policy and anti-discrimination

Why EU Commissioners Are Poor Politicians

EU Commissioners might be seasoned bureaucrats but make for lousy politicians. Viviane Reding, currently responsible for Justice, Fundamental Rights and Citizenship, and Commissioner since 1999 (!) is surely a masterful mandarin, but doesn’t play the politics game very well. And by politics, I don’t mean the internal bickering between the Commission, the Council and the European Parliament: I am sure she is a world champion at that – I mean politics as the art of pleasing the public while getting things done. Perhaps after so many years in the Brussels bubble Commissioner Reding has forgotten altogether that pleasing the public is part of the politics game as all. But when public support for the EU is hitting a new low, I can’t help but think that the feelings of the public should be high on the Commissioner’s mind.

In September this year Viviane Reding announced that the Commission is coming up with a proposal to set a compulsory 40-% quota for women on boards of public companies. Immediately, nine countries (including the Netherlands, Sweden and Britain) and a few fellow Commissioners (including several women) expressed very strong disagreement. This, however, was not enough to put the brakes – on 14 November, the Commission approved a watered-down version which ‘sets an objective of a 40% presence of the under-represented sex among non-executive directors of companies listed on stock exchanges’, a “flexi quota” and a statement that ‘given equal qualification, priority shall be given to the under-represented sex’. Now, I haven’t much to say about the quality of the proposal as such – to put my cards on the table, I agree there is a problem with the unequal representation of women on company boards, and I don’t know enough about the effects of quotas to have a strong opinion about the proposed solution.

What is blindingly clear, however, is that the European citizens do not feel that this is an issue for the EU to solve, and there is virtually no popular support for such action coming from Brussels. How do I know? It’s data collected by the EU!

According to Eurobarometer, in 2007 ten percent of the European population agreed that the EU has an important role to play in combating discrimination (page 26, QA11). That’s just one out of every ten Europeans! Only three percent mentioned that they would turn to the EU in case of discrimination at the workplace (p.32, QA 13). In all fairness, 77% said they want to see more women in managerial positions, but no indication they wanted Commissioners poking their nose into that, or a policy which guarantees 40% of these positions for women.

If anything, the case for European involvement into the matter has become even weaker since. A red-hot new survey made available last week shows that only 31% of European citizens agree that there is widespread gender discrimination in their countries:  seven out of ten Europeans find gender discrimination rare or non-existent. Moreover, only 22% agree that being a female puts you at a disadvantage when looking for a job (page 87, QC4). In fact, more people feel that their accent might be a problem. Again, this is not to say that, objectively speaking, there is no underrepresentation of women in top positions. But it seems that the majority of people do not find gender discrimination at the workplace very widespread, nor a political priority.

In 2009 Europeans generally supported measures for monitoring hiring practices and the gender composition at the workforce, but 58% found enough was already being done in that respect. Interestingly, the new survey from 2012 doesn’t even ask people whether they think it’s a good idea for the EU to get involved or whether a ‘compulsory quota’ policy is the way to go. These are quite curious omissions given that the survey is otherwise quite comprehensive and comes out in the same week as the Commission’s policy proposal.

In summary, there is no broad support for further EU action in combating gender discrimination and even less so for a policy of quotas. So why is Viviane Reding pushing this agenda in the face of absent popular support and explicit opposition from national governments? She probably strongly believes that this policy is the right and progressive thing to do. And that the Commission has the obligation to lead rather than blindly follow popular sentiments. But the fact remains that people, and many governments, don’t like the idea.

Irritating an increasingly hostile public with such proposals is not a very smart thing to do because the policy would never be approved by the member states anyways, but you still get the bad press. What is stuck in people’s minds is the fact that the Commission ‘approved’ something that they didn’t like: they won’t remember that the Commission only proposes and the Council and the Parliament decide, and that the initial proposal has been quickly watered-down to a more widely-acceptable version.

That’s why Redding’s recent actions are not smart and politically savvy in the way in which EU-bashing politicians like Nigel Farage are politically smart and savvy. The forefathers of the EU from Jean Monnet to Jacques Delors managed to be both true to their ideals and politically shrewd in order to achieve them.

New policies like women quotas do not win new supporters for European integration. The people who like the idea of positive discrimination are likely to be the people who already support the EU: the more educated, cosmopolitan, and well-off. For the average woman, a position on the board of a top company is equally distant with or without a quota for females. But such policies would alienate people who disagree with the substance of the policy and are already suspicious of the EU. Which, as the numbers show, are by far the majority.

In her term as Information Society and Media Commissioner, Viviane Reding put a lot of effort to increase the visibility of the European Union. Well, now people definitely pay more attention to what the EU does. And they often don’t like it. Now it’s time the Commission starts to pay more attention to what the people have to say.