EU law, European Parliament, Euroscepticism, Future of the EU, Social policy and anti-discrimination, the Netherlands

‘White Paper on the Future of Europe’: gaan we over een ‘ander’ Europa nadenken?

De verkiezingen in Nederland en Frankrijk laten zien dat er nog steun voor het Europese project is, maar Europa moet veranderen. Weliswaar heeft Macron de Presidentsverkiezingen gewonnen, maar 34% van de Franse bevolking steunde Le Pen en het voornemen van het ‘Front National’ om de EU te verlaten. Ook Macron heeft aangegeven dat we niet op dezelfde Europese weg kunnen blijven doorgaan. In Nederland zijn meer meningen te vinden, maar de PVV, die als twee-na grootste partij in de laatste verkiezingen naar voren kwam, wil dat Nederland zo snel mogelijk het Europese avontuur opgeeft. Kortom, Europa is niet meer een onomstreden project, maar een politieke zorg geworden.

Na het Brexit referendum zijn de Europese leiders gestart met een nieuwe (zelf-)reflectie over de toekomst van Europa. Tijdens de top van Bratislava in september 2016 is het startschot gelost voor een indringend politiek reflectieproces. De bedoeling is dat dit proces, waarbij ook de buitenwacht wordt betrokken, tot een afronding komt voor de verkiezingen van het Europese Parlement in 2019. Of dat gaat lukken, en of dit proces tot een voor velen aansprekend Europa komt, is de vraag.

In ieder geval heeft de Juncker-Commissie op 1 maart jl. een algemene nota opgesteld met daarin een aantal denkrichtingen of scenario’s. Deze scenario’s omvatten de mogelijkheid van gewoon ‘doormodderen’ tot een politieke vlucht naar voren in de vorm van ‘veel meer samendoen’. Daartussen liggen opties om alleen de interne markt te bedienen, zich te richten op een beperkt aantal beleidsterreinen met de belofte om het dan wel ‘efficiënter’ te doen en de mogelijkheid van een Europa van ‘meerdere snelheden’.

De verschillende scenario’s zijn nog erg vaag zodat het amper mogelijk is om de voor- en nadelen op een rij te zetten. Ook wordt in de analyse van de Europese Commissie de gevolgen voor de reislustige en vooral ‘kosmopolitische’ burger haarfijn uiteengezet. Dat levert meteen de vraag op dat nu de burger is die zich tegen het Europese project heeft gekeerd en die de Commissie nu moet overtuigen van het ‘nieuwe’ Europa. De aanhangers van Le Pen, maar ook van de PVV in Nederland, zitten waarschijnlijk niet te wachten op allerlei sociale en andere rechten in het Europese buitenland: hun zorg is dat zij thuis maar amper hun hoofd boven water weten te houden en daardoor allerlei andere zorgen hebben.

De Rabobank heeft verschillende scenario’s van de Commissie op hun economische effecten beoordeeld. Daarbij is ook de optie van het uiteenvallen van de EU aan het pallet toegevoegd. De resultaten zijn niet verrassend: bij het uiteenvallen van de EU zijn de economische gevolgen heeft meest negatief. De economische groei zakt in, de werkloosheid neemt sterk toe, Nederland verliest haar leidende rol als haven van Europa, en de pensioenfondsen zien hun dekkingsgraad dalen ondanks stijgende rente en inflatie. Het scenario van meer samenwerken heeft het meest positieve effect op de economie. Bij doormodderen en twee snelheden zijn de effecten minder spectaculair (en waarbij de optie van twee snelheden het beter doet), maar daarbij past wel de aantekening dat doormodderen waarschijnlijk tot uiteenvallen leidt, wat een weinig plezierig vooruitzicht is.

De scenario’s van Juncker worden op dit moment verder uitgewerkt op deelaspecten. De Commissie heeft besloten om via reflectiepapers de mogelijkheden te verkennen. Het eerste paper is op 26 april jl. verschenen en gaat in op de sociale dimensie van Europa. Daarin wordt nagedacht over vragen als: zullen we sociale rechten beperken tot alleen het vrije verkeer van EU-burgers? En zou sociaal beleid een onderdeel moeten zijn van een kerngroep op het moment dat voor een Europa van twee-snelheden wordt gekozen? Afgelopen week is een tweede paper verschenen over globalisering. Daarin wordt ingaan op de gevolgen van globalisering en het idee dat Europa de scherpe kantjes van die ontwikkeling moet wegnemen. Dat zou niet via meer protectionisme moeten leiden, maar tot een betere verdeling van de baten van internationale handel, via ondersteunende sociale voorzieningen en subsidies. De vraag is of verstandig is dat Europa nu ook voor zichzelf een taak ziet op het terrein van sociale zekerheid. Dat is een taak die traditioneel bij lidstaten is belegd en waarbij sprake is van een enorme diversiteit, zowel in termen van nationale koopkracht als de wijze waarop die taken nationaal worden bekostigd.

Er volgen nog reflecties over de EMU, defensie en het Europese budget. Wat mist is een reflectie over burgers en legitimiteit. Zou het niet verstandig zijn om ook daarover een grondige analyse te maken? De huidige malaise lijkt vooral veroorzaakt te worden door ontevreden kiezers die niet meer geloven in de voordelen van Europese samenwerking.  Om die kiezers weer voor Europa te winnen, is op z’n minst informatie over oorzaken en problemen nodig.

Meer in het algemeen zijn de analyses die tot dusverre zijn gemaakt nog niet erg overtuigend. Weliswaar wordt aangegeven dat we in dit debat over het ‘nieuwe’ Europa vooral ‘out-of-the-box’ moeten denken, maar sommige oplossingen blijven wel heel dicht bij bestaande ideeën uit Brussel. Een voorbeeld is het recente debat over Europees ouderschapsverlof in het kader van een meer sociaal Europa. Daarbij komt meteen de vraag op of dat nu niet veel beter nationaal of zelfs regionaal kan worden geregeld. Is het niet beter dat de vaders in Nederland de onderhandelaars aan het Binnenhof oproepen wat aan hun situatie te doen dan ouderschapsverlof Europa-breed te regelen?

Verder is in het kader van een reflectie over Europa een aantal aspecten nog onvoldoende benoemd. Uitgangspunten die een rol zouden moeten gaan krijgen in een debat over Europa. Dat zijn in ieder geval de volgende:

  1. Het loslaten van het gelijkheidsdenken in Europa: in veel discussies over nieuw beleid wordt vaak het argument ingebracht van het streven naar een ‘level-playing field’. Daarmee wordt bedoeld dat verschillen tussen landen nadelig zijn voor de beleidsuitvoering of ongelijkheid kunnen veroorzaken. Mijn voorstel is dit argument nu maar eens te gaan mijden. Verschillen tussen landen, maar ook tussen regio’s, gemeenten, buurten en mensen bestaan. De vraag is of dit erg is. En wanneer we daarover twijfelen moeten we gewoon burgers maar eens vragen of zij een taak regionaal, nationaal of Europees geregeld willen hebben. Dan komen we er wellicht achter dat Europa vaak niet nodig is.
  2. Het loslaten van het idee dat Europa veel problemen oplost: vaak worden allerlei problemen op de Europese beleidsagenda geplaatst waarbij het maar de vraag is of die, op een zinvolle wijze, door middel van Europees beleid kunnen worden aangepakt. Ex-post evaluatieonderzoek laat zien dat dit vaak knap lastig is. Opvallend is ook dat vaak geen ex-post evaluaties worden uitgevoerd, ook wanneer dat eerder wel was afgesproken. Kortom, is het maar de vraag of Europa veel kan met de problemen die nu op de beleidstafel worden gedeponeerd. Dat creëert alleen maar te hoog gespannen verwachtingen zonder dat er veel zal veranderen.
  3. Het verminderen van onnodige regels: de Europese Commissie probeert al enige tijd met het Regulatory Fitness and Performance programma (REFIT) de regeldruk vanuit de EU te verminderen. Onnodige regels worden geschrapt, terwijl niet-werkende regels worden vervangen. Dit programma zou de komende tijd nog intensiever moeten worden doorgezet met steun van de Europese wetgever (e.g. de lidstaten en het Europees Parlement), die ook bereid moet zijn die onnodig regels daadwerkelijk te schrappen. Niet ieder regel is een behulpzame regel die mensen helpt om problemen aan te pakken. Ook komt daarbij opnieuw de vraag aan de orde of een aanpak niet beter op nationaal, regionaal of lokaal niveau georganiseerd kan worden.
  4. Het versterken van de gewone wetgevingsprocedure: nog steeds is binnen de EU de gewone wetgevingsprocedure, waarin het Europees Parlement een rol heeft, geen gemeengoed. Op verschillende terreinen wordt nog steeds wetgeving door de lidstaten gemaakt. Verder komt verreweg de meeste regelgeving uit de hoek van de Commissie. Op basis van delegatiebepalingen maar ook de bevoegdheid uitvoeringswetgeving af te kondigen, is de Commissie de grootste producent van verordeningen en richtlijnen. Voor een Europa van de burger, waarbij transparante en het kunnen volgen van procedures belangrijk is, is deze praktijk onverstandig. Hier zou de Commissie, maar ook de lidstaten, hand in eigen boezem moeten steken door met de burgers van Europa af te spreken om veel meer regelgeving via het Europese Parlement te laten verlopen.

Met deze vier aanvullende uitgangspunten komt de discussie over Europa al wat verder weg te staan van het bestaande en bekende. Laten we hopen dat wij de komende jaar, politiek en maatschappelijk, eens behoorlijk buiten die gangbare paden treden. Dat is goed voor Europa, Europees beleid en Europese kiezers.

the Netherlands

Over de Nederlandse formatiebesprekingen: Zit Edith Schippers op de goede weg?

Afgelopen week heb ik met mijn studenten een serious game gedaan over de formatiebesprekingen in Nederland. Met in totaal negen verschillende groepen is onder leiding van een VVD informateur geprobeerd een coalitie te smeden met verschillende partijen. In het spel waren de belangrijkste partijen van dit moment betrokken (VVD, CDA, D66 en GroenLinks), naast de PVV en de CU. Verder is het aantal belangrijke dossiers beperkt tot een drietal, namelijk de zorg, defensie en de opvang van vluchtelingen.

Natuurlijk is zo’n spel maar een spel. Bovendien zijn er meerdere redenen om de uitkomsten van die simulatie met een korretje zout te nemen. Om te beginnen is in het Haagse de PVV uitgesloten van regeringsdeelame door met name de VVD. In de campagne heeft Rutte dat heel duidelijk verwoord: “wij gaan niet samen met de PVV regereren”. Een statement dat wellicht heeft meegeholpen om de VVD nog een extra zetel te bezorgen door strategische, zwevende kiezers. In het spel is zo’n ‘cordon sanitaire’ niet opgetrokken en konden de deelnemers ook met de PVV samenwerken.

Een tweede beperking is natuurlijk het aantal dossiers. Zorg, defensie en vluchtelingen zijn belangrijke issues, maar werk, milieu, Europa zijn dat ook. Dat maakt het werk van Schippers een stuk lastiger, want haar puzzle is vele malen groter dan die van de studenten. Tegelijkertijd biedt dat ook mogelijkheden om meer uitruilen te maken waardoor alle partijen in de coalitie op belangrijke punten kunnen ‘winnen’ voor ‘hun’ achterban. Vanzelfsprekend zijn dit steeds weer andere punten, zodat wij, als burgers, wel goed door het gehele pakket aan compromissen moeten kijken om te begrijpen wie wat krijgt.

Er zijn nog andere punten te noemen, waaronder het feit dat studenten natuurlijk een andere focus kunnen hebben dan onze professionele onderhandelaars aan het Binnenhof. Maar het voert te ver om die nu ook in detail te bespreken.

De uitkomst van het spel was opmerkelijk. De meest gevormde coalitie in het spel was die tussen VVD-CDA-PVV en CU (in 44% van de gevallen). Op het Binnenhof zal deze coalitie niet gaan ontstaan vanwege het ‘nee’ van de VVD tegen de PVV. De coalitie die Schippers op dit moment probeert te maken—de coalitie VVD-CDA-D66-GroenLinks—werd helemaal niet gevormd. Geen van de teams kwam hierop uit. Dat had vooral te maken met de te grote verschillen tussen die partijen voor de dossiers die in het spel op tafel lagen. Wat betreft coalities zonder de PVV, werd de combinatie VVD-CDA-D66-CU één keer gevormd (11% van de gevallen). Een lastige combinatie, maar wel één die met goede wil mogelijk bleek.

Gelet op dit uitkomsten van dit spel, is het voor mij duidelijk geworden dat het vormen van een coalitie tussen VVD-CDA-D66 en GroenLinks een heel lastig gaat worden. Het verbindt partijen die dwars door het Nederlandse politieke landschap lopen. Wellicht lukt het Schippers om die partijen tot een akkoord te brengen, maar de vraag blijft of de fracties van vooral de VVD en GroenLinks hier veel mee op zullen hebben. Daarnaast hebben we ook nog de leden van beide partijen die misschien nog veel minder oog hebben voor het kunnen meeregeren in deze regenboogcoalitie, waarin hun visie in belangrijke mate verwaterd is. Misschien wordt het, zoals sommige waarnemers nu al suggeren, een lange formatie waarin uiteindelijk toch het roer naar rechts wordt gedraaid. Het overstappen van de combinatie VVD-CDA-D66-GroenLinks naar die met VVD-CDA-CU en D66. Mijn studenten waren in staat om die partijen tot een coalitie te vormen met een inhoudelijk beleidsakkoord. Dat zal vooral voor D66 slikken worden, omdat die partij dan op belangrijke thema’s moet gaan inleveren.

Uncategorized

Data gebruik door de overheid: De geest is uit de fles, maar wat zijn nu de grenzen?

Het is belangrijk te zien hoe de wetenschap en de praktijk de komende jaren meebewegen en gebruik (gaan) maken van data. Data die door allerlei elektronische toepassingen die wij gebruiken, beschikbaar komen. We hebben al een enorme toename aan data gezien, maar in komende jaren zal nog veel meer data beschikbaar zijn. Ook de mogelijkheden om die data te analyseren, zullen door allerlei applicaties toenemen. Binnen het vakgebied van de data science wordt hard gewerkt aan allerlei nieuwe technieken die de basis kunnen zijn van nieuwe, commerciële en niet-commerciële toepassingen.

De ontwikkelingen op dit terrein laten ook andere disciplines niet ongemoeid. Binnen de sociale wetenschappen gaan stemmen op die stellen dat meer data over gedrag een revolutie zal veroorzaken. Met deze informatie kunnen onderzoekers zich meer richten op feitelijke gedrag en niet zozeer verbale, gearticuleerde gedrag. Een tweede punt betreft de hoeveelheid. Met informatie voor de gehele populatie zijn feitelijke patronen ook de daadwerkelijke. In die gevallen is het niet meer nodig te werken met allerlei waarschijnlijkheidsmaten. Vraag blijft of een databestand nu al dan niet een populatie beschrijft. Een andere lastig punt is of sprake is van causaliteit—een associatie moet ook een basis hebben in een logisch bouwwerk van oorzaak en gevolg. Daarvoor hebben evenals in het verleden goede theorievorming nodig.

Er is ook een keerzijde van meer datagebruik. Ik noem drie belangrijke problemen.

In de eerste plaats is het gebruik van residu-data niet zonder problemen. Recent heeft de Consumentenbond verslag gedaan van onderzoek naar de kredietwaardigheid van consumenten. Daaruit blijkt dat allerlei private partijen via bedrijven informatie verzamelen over uw betalingsgedrag. Met die informatie wordt uw kredietwaardigheid bepaald. Op het moment dat u te laat uw rekeningen heeft voldaan of een betaling betwiste, kan dat tot een negatieve beoordeling leiden. Dit betekent dat u bij andere bedrijven een dienst of een levering wordt onthouden, of dat die levering alleen wordt uitgevoerd tegen hogere kosten. Tegelijkertijd is het voor consumenten erg moeilijk de reden voor die afwijkende behandeling te achterhalen en om fouten in de kredietregistratie te herstellen. Dit voorbeeld is een van de vele die vragen om meer aandacht in het huidige debat voor de juridisch-ethische grenzen van data gebruik.

De tweede keerzijde is dat data-analyserende applicaties keuzes maken die gevolgen kunnen hebben voor degenen waarvan gegevens worden geanalyseerd. De belastingdienst bijvoorbeeld maakt gebruik van ‘slimme’ applicaties die belastingaangiftes in eerste aanleg doorlichten. De gebruikte algoritmes proberen, mede op basis van logische checks en ervaringsinformatie, mogelijke belastingontwijkers te ontdekken. Maar levert die signalering altijd een ‘juiste’ detectie op? Wat zou u vinden wanneer u keer op keer een groot aantal schriftelijke vragen van de belastinginspecteur moet beantwoorden omdat u van ontwijking wordt verdacht? Zeker wanneer meer en meer geautomatiseerde technieken worden toegepast, moet er oog blijven voor de vraag of het ‘systeem’ wel een juiste conclusie formuleert. Dit betekent dat we in de komende jaren meer aandacht moeten hebben voor de gevolgen van het gebruik van verschillende analysetechnieken. Ook een duidelijke procesgang om burgers de mogelijkheid te bieden om zich te keren tegen onjuiste gevolgtrekkingen is onontbeerlijk.

Een derde keerzijde ligt in het gebruik van data voor overheidsbeleid. De verleiding is groot om een digitaal klachtenloket tegelijk te gebruiken voor het bijstellen en ‘verbeteren’ van het beleid. De vraag is of daarmee recht wordt gedaan aan alle groepen in een samenleving. Wie maakt gebruik van zo’n loket? Zijn dat niet bepaalde groepen? We weten bijvoorbeeld uit onderzoek dat hoger opgeleiden meer participeren in inspraak en beter hun weg vinden in de publieke dienstverlening dan lager opgeleiden. Dat kan ook het geval zijn bij veel digitale instrumenten. Dit betekent dat wij ook meer aandacht moeten hebben voor de vraag of beschikbare data inderdaad de noden van alle burgers vertegenwoordigen.

Wat betreft het gebruik van ‘nieuwe’ data is de geest uit de fles. Overheden, in navolging van veel bedrijven, vinden een weg en gaan meer en meer gebruik van allerlei reeds verzamelde en beschikbare data via elektronische toepassingen. Tegelijkertijd komen daarmee belangrijke vragen in beeld over de beperkingen van die informatie, maar ook over de juridisch-ethische grenzen aan het analyseren van uw gedrag.

Central and Eastern Europe, Public opinion, the Netherlands, Ukraine

Ukrainians trying (again) to argue against the Dutch ‘No’ while ratification remains uncertain

A guest post by Elitsa Kortenska:

Since 6 April 2016 when a consultative referendum in the Netherlands on the EU’s Association Agreement  with Ukraine resulted in 61 percent votes against it and 38 percent in favour, ratification is on hold. The Netherlands was the last member state whose ratification was needed for its entry into force. Since April, the government and the Prime Minister have postponed decision to withdraw Dutch support for the Agreement several times. In the last couple of months, Dutch Prime Minister Mark Rutte has intensified his efforts in Brussels and in the Netherlands to resolve the problem. He stated repeatedly that the failure to ratify the Agreement would be a ‘massive mistake’ for the Netherlands, as POLITICO reported.

In October Rutte attempted to persuade political parties (see his official letter sent to Parliament) to rally around  and ratify it despite the referendum results. The forthcoming elections are making this a politically risky proposition especially with the initiators of the referendum Baudet and Jan Roos both going into politics with political formations on the right, aiming seats in parliament. Meanwhile, in an interview for a Dutch radio, former Dutch foreign minister and current Vice president of the European Commission Frans Timmermans urged political parties to give a green light to the Agreement and referred to the consultative nature of the referendum. Emphasizing the risk of instability in the region at the event of non-ratification, Timmermans said ‘we should not offer presents to Putin’. Yet the fate of Agreement remains uncertain due to the unwillingness of the Dutch second and first chamber to appear to dismiss the popular vote with national elections around the corner.

Earlier in October, Ukrainian officials, parliament members and civil society tried to argue the case for ratification and discussed the dynamics linked to it at a symposium, organized by the newly launched Netherlands-Ukraine Society. Speakers highlighted the paramount importance of the Treaty for the Ukraine domestic political and economic transformation. From the perspective of the seven Ukrainian students, who had led a six-day ‘For’ campaign just before the referendum date, the negative result meant a need  for more initiatives presenting a positive image of the ongoing transformation in ‘new’ Ukraine and AA-related reforms.

Ukrainian politicians and civil society members present at the event warned about the negative implications of failure of the Agreement. While Dutch citizens’ concerns and the ‘No’ vote must be taken seriously and addressed, according to Taras Kachka this could be achieved without renegotiating or changing the provisions of the Agreement. Since a number of the Treaty provisions have already been enforced, he hoped that that the Dutch ‘No’ would not ‘kill’ the Treaty. ‘The Agreement is not merely a technical tool for integration for Ukraine, but it symbolizes enormous changes in Ukrainian political culture and society’ he argued.

Enforcement of the treaty provisions has achieved progress in important areas of  reform: rule of law and market liberalization, but those have not reached a ‘point of no return’, civil society representatives argued. The Reanimation Reform Package (RRP) for Ukraine is a clear example of Ukrainian civil society engagement in the reform process. Olena Halushka, RRP representative, said: ‘the Maidan is the real evidence that signing the AA was not a political decision taken top-down’, but a result of citizens’ desire for transformation in Ukraine and the ‘Revolution of Dignity’.  Reforms and their enforcement are not irreversible, Halushka warned and emphasized that the political will for adopting and implementing reforms depends on full enforcement of AA provisions and the synergy between civil society and external EU pressure.

Parliamentarians Serhiy Kiral (Samopomich Union) and Vladyslav Golub (Petro Poroschenko Bloc) stressed political and financial support through the AA is key for maintaining political consensus on reforms domestically. Uncertainty over the Dutch decision has weakened the EU’s commitment to the Agreement, while the on-going Russian information war,  propaganda and aggression in Ukraine renders non-ratification extremely risky for domestic reform process, they argued.

While the Dutch ‘No’ cannot be simply disregarded, the implications of the failure of the Treaty could have more negative consequences for EU, the Netherlands and Ukraine than public is aware. According to the symposium speakers, one way to resolve the problem within the Netherlands is through broader public debate, information and communication on the economic benefits of the Treaty for the Netherlands It remains to be seen whether it is already too late for this, in terms of ratification. A decision from Dutch parliament is yet to come, but the delay already costs the EU some credibility, affects political commitment for reforms in Ukraine and potentially contributes to further political deadlock.

Asylum policy

The Commission’s plan for reforming EU asylum policy is very ambitious. But can it work?

 

The European Commission announced last Wednesday a new package of proposals designed to reform the EU asylum system. The proposals include compulsory redistribution of asylum applications among the EU member states. This is called ‘corrective allocation mechanism’ or ‘fairness mechanism’.

Countries would be allocated ‘reference shares’ of asylum applications, and the moment a country’s reference share is exceeded by 50%, an automatic system will set it that will send the excess asylum applicants to countries that have not attained their reference shares yet. If member states do not cooperate, they will have to pay a ‘solidarity contribution’ of €250,000 for every asylum application they refuse to process.

The proposal for compulsory redistribution backed by the threat of financial penalties (sorry, solidarity contributions) is very ambitious. But can it work? And I mean, can it work in a strictly technical sense, provided that the EU musters the political support to adopt the proposals[1], manages to make the member states comply with the rules, ensures that they don’t game the national asylum statistics, and so on – additional problems that are by no means trivial to solve. Let’s also leave aside for the moment the normative issue whether such a compulsory redistribution system is fair, to asylum seekers and to the EU member states. For now, the simpler question – can the system work even in the best of political and bureaucratic circumstances?

How is the system supposed to work?

This is how the system is supposed to work, or at least how I think it’s supposed to work, based on the available explanations (see here, here, here and the actual draft regulation here):

(1) Each country gets a ‘reference key’ based on the relative size of its population and the relative size of its GDP (the two factors weighted equally) compared to the EU totals. For example, in 2014 Germany had a population of 81,174,000 (16% of the EU population of 508,191,116) and a GDP of €2,915,650 million (21% of the EU GDP of €13,959,741 million[2]), which, when combined, make up for a reference key of 18.5%.

(2) This reference key is translated into reference shares (indicative shares of the total number of asylum applications[3] made in the EU that each member state is expected to receive) by multiplying the reference key with the total numbers of asylum applications registered in the EU in the preceding 12 months. For example, according to Eurostat[4], between 1 January 2014 and 31 December 2014 the total number of asylum applications received in the EU was 653,885, so Germany’s reference share for January 2015 (covering the period 1 February 2014 – 31 January 2015) would be 18.5% of 653,885 which equals 120,969 applications.

(3) If a member state receives a number of applications that exceeds by 50% its reference share, the excess applications are to be redistributed to member states that have not attained their reference shares yet. For example, Germany would have to receive more than 181,453 (150% of 120,969) applications during the current and preceding 11 months to trigger the relocation mechanism.

(4) The reference totals and references shares are updated constantly and automatically.

How would the system work if it had to be implemented at the end of 2015 already?

Let’s first do the simple arithmetics to see how the system would work if it had to enter into force in the last month of 2015. We can plug in the total number of asylum applications registered in the preceding 12 months (hence, between 1 December 2014 and 30 November 2015) to calculate the country’s reference shares. We can then see who did more and who did less than their fair (reference) share, and we can estimate the number of transfers that would be necessary to balance the system.

According to Eurostat, the total number of asylum applications received in the reference period was 1,281,560, so this number is used in the calculations that follow. The figure below shows the reference shares (in black), 150% of the reference shares (in grey) and the actual numbers of applications received during the entire 2015 (in red). We can see that Hungary, Sweden, Germany, Austria, Finland, Bulgaria, and Cyprus would have exceeded 150% of their reference shares. And between them they would have had 449,821 ‘excess’ applications for redistribution. All the other member states are potential recipients (with the exception of Belgium, Denmark, and Malta which have received numbers of applications exceeding their reference shares but with less than 50%). The total number of available ‘slots’ for transfer is 592,469. The UK has 145,750, France has 106,227, Spain has 91,589, Italy has 67,689, Poland has 54,456, and so on. Even Greece would have to accept 8,577 more applications to achieve its fair share of registered asylum applications[5].

asylum_application_and quotas12

To sum up, if the ‘fairness mechanism’ was to enter into force in December 2015, it would require the relocation of almost half a million asylum seekers across the continent, with some member states having to receive more than 100,000 additional applications to balance the system. More than one-third of all applications received in the EU during the preceding 12 months would have to be relocated.

If the UK[6], for example, would refuse to accept the additional asylum applications to fill up its reference share, it would be expected to pay ‘solidarity contributions’ to a maximum of €36,437,500,000 (more than 36 billion euros). (For comparison, the total gross UK contribution to the EU budget in 2015 was around €16 billion). The total pool of asylum applications to be relocated would be worth  €112,455,250,000 (that is, more than 112 billion euros)! For comparison, the total budget of the EU for 2015 was € 141.2 billion.

To my mind, the scale of the potential fines (sorry, ‘solidarity contributions’) is so big as to make their application totally unrealistic. Of course, it is the threat of fines that is supposed to make the member states cooperate, but to do their work, fines still have to realistic enough.

To sum up the argument so far, things don’t look very bright for the solidarity mechanism. But one might object that 2015 was exceptional, and that it is precisely this type of imbalances observed at the end of 2015 that the fairness mechanism is designed to avoid. Yet, unless the system starts with a clean slate[7], the existing imbalances accumulated over the past months would have to be corrected somehow. The analysis above shows the enormous scale of the corrections needed, if the system would have entered into force five months ago.

How would the system handle the 2015 flow of asylum applications?

We can also try to simulate how the fairness mechanism with compulsory reallocation would have handled the flow of asylum applications that the EU experienced during 2015 (provided that the member states cooperated fully). That is, we start with the situation as observed in January 2015, we calculate the reference shares and apply the necessary transfers to balance the system, and then we move forward to February 2015 observing the actual numbers of applications received in reality, balance the system again with the necessary transfers, and so on until the end of the year. (The script for the analysis and the simulation (in R) is available upon request.)

Running the simulation for the entire course of 2015 delivers good news and bad news (for the architects of the proposed mechanism). The good news is that the redistribution system does not get ‘choked up’ – that is, it does not run out of capacity to redistribute asylum applications received by some member states in excess of 150% of their reference shares to member states that have yet to reach their reference shares. The bad news is that in order to get and stay balanced, the system applying the ‘fairness mechanism’ needs to make approximately 500,000 transfers (that makes 37% of all asylum applications received in the EU during the year).

The figure below shows the number of transfers (in black) that need to be made per month, together with the actual number of asylum applications received in the EU as a whole during this period (in grey). Approximately 157,000 transfers must be made in the first month of the simulation (January 2015) to balance the system initially, and the remaining 343,000 are needed to keep it in balance for the rest of the year. The peak is in August, when more than 50,000 transfers must be made. (The bars are not stacked upon each other but overlap).

asylum_application_transfersmonthly2015

The next figure shows the distribution of transfers per member state. The blue bars that go below the horizontal line at zero indicate that the member state is a net ‘exporter’ of asylum applications, and the red ones that rise above the zero line indicate that the member state is a net receiver of transferred applications during the year, according to the simulation. (The parts of the bars colored in light blue and light red show the transfers made in the first month of the simulation.)

It is clear from the figure that Hungary, Sweden, Germany and Austria export the greatest number of applications, while Poland, Italy, Spain, France and the UK are expected to receive the most transfers. Some countries actually change their status in the course of the year from exporters to receivers of additional asylum applications (Denmark) and vice versa (Finland). Even Sweden and Hungary – countries that are big net exporters for most of the year have to receive additional applications during one or two months (see here the detailed plot of the experience of individual countries over the 12 months of the simulation).asylum_application_transfers2015

Despite the huge amount of transfers, not all member states handle a completely proportional burden of the total EU pool of asylum applications throughout the year. While the monthly transfers correct for gross imbalances and ensure that no country deals with more than 150% of its reference share, the system still leaves potential for significant differences across the member states. The figure below demonstrates this fact by showing the simulated number of asylum applications in red (actual applications received and simulated transfers) and the references shares (in black and grey). While the two sets of bars are much closer now, and the red one does not exceed the grey one for any country, member states still vary from fulfilling 70% of their reference shares (for example, Croatia, Portugal, Romania, and Slovakia) to fulfilling close to 150% of their reference shares (Germany, Belgium and Austria).[8]

asylum_application_sims_and quotas

Conclusions

To sum up, the proposed compulsory redistribution of asylum applications among the EU member states can reduce the current imbalances, but only at the price of a huge amount of transfers between the member states. With the proposed parameters, the mechanism would be able to handle even a great influx of asylum seekers as the one observed during 2015. However, under the 2015 scenario, half a million applications would have to be redistributed to make it work. An enormous amount of transfers between member states would be necessary to balance the system initially (unless the mechanism starts with a clean slate), and as many as 50,000 applications per month might have to be redistributed later (under a scenario similar to the one that actually occurred in 2015).

The reference period of 12 months used for calculating the countries’ reference shares must be updated and moved forward every month to ensure that the system retains enough capacity for redistribution. Otherwise, the ‘cushion’ provided by the fact that countries only export applications once they receive 50% more than their reference shares might not be enough to guarantee that there are enough ‘free slots’ in other member states. For the reference period to be updated fast, reliable and almost instantaneous information about the flows of asylum seekers to all member states must be available. Currently, the latest month for which Eurostat has data on the asylum applications received in all EU member states is December 2015: that is,  at the moment, the reference shares can be updated with at least a 4-month lag. This might be too slow to accommodate the rapidly changing flows of asylum seekers to Europe and might quickly grind the fairness mechanism to a halt.

The disadvantage of a relatively short reference period of 12 month that is constantly updated is that some member states might have to receive transferred applications at one point of time and then be eligible to redistribute applications to other countries just a few months afterwards. Such moving around of asylum seekers across the continent is of course highly undesirable, and costly as well.

Although the system might be able to correct the gross imbalances, it might still allow significant differences in the asylum application burden that different EU countries carry to persist. This fact requires attention to the way the ‘excess’ applications are to be distributed among the eligible member states that have not achieved their reference shares yet (since, typically there will be more available slots than requests for redistribution).

Finally, given the scale of required transfers to make the fairness mechanisms work, the size of the proposed penalties (solidarity contributions) for refusing additional applications is so huge as to be completely unrealistic. If under this mechanism member states are potentially liable for amounts that exceed their total annual contributions to the EU budget, there is little chance they will agree to participate in the mechanism in the first place.

All in all, while in principle the proposed fairness mechanism can work to reduce significantly the imbalances in the distribution of asylum applications across the EU, once the member states realize the amount of additional applications they might have to deal with under this policy, it is highly unlikely they will approve it. And certainly not with the current parameters regarding the reference periods, the references shares or the financial penalties.

Notes

[1] The Polish foreign minister already called the proposals an ‘April Fool’s Day joke.’

[2] The population and GDP estimates are based on statistics provided by Eurostat. GDP is in current prices and comes from the ‘tec00001’ database, in particular.

[3] In addition to asylum applications, the system will also take in to account the number of resettled persons. Eurostat however does not provide monthly data on resettlement. And the (annual) numbers of resettlements relative to asylum applications are so low (less than 1%) that we can ignore them in the analysis without much harm.

[4] The monthly statistics on asylum applications are available in the ‘migr_asyappctzm’ database. The version used in the analysis has been last updated on 6  May 2016

[5] Wait, what? Greece would have to receive more asylum applications? That’s right. Although hundreds of thousands (if not millions) of migrants have arrived on Greek territory in the past year and a half, in 2015 the Greek state has registered as asylum seekers only a negligible proportion of them. So, according to the official statistics (that would be used to run the fairness asylum distribution mechanism), Greece would have to register more applications and would be eligible to receive transfers from other member states until it reaches its fair share. I will leave it to you to judge whether this is a feature or a bug of the proposed system.

[6] The UK and Ireland, by the way, are invited but are not required to join the proposed system, even if the rest of the member states approve it.

[7] From the available documents, it does not seem to be the case that the fairness mechanisms will start with a clean state; that is, with a reference period not extending 12 months back.

[8] Curiously, Hungary appears to have made more transfers than actual applications received during the year according to the simulation, due to the huge fluctuations in the monthly amount of applications registered (which average 20,000 in the first 9 months of the year, but then drop to less than a thousand in the last three) and the moving reference period for calculating the reference shares.

Key numbers

Country
Code
Reference key
Asylum applications 2015
Reference
shares for
2015
Excess/deficit from reference shares for 2015
Excess/deficit from 150% of reference shares for 2015
Transfers to be
made in the course of
2015 (simulation)
Austria AT 2,0% 88.160 25.631 62.529 49.713 -51.796
Belgium BE 2,5% 44.665 32.039 12.626 -3.393 0
Bulgaria BG 0,9% 20.375 11.534 8.841 3.074 -4.676
Croatia HR 0,6% 205 7.689 -7.484 -11.329 5.510
Cyprus CY 0,1% 2.265 1.282 983 343 -850
Czechia CZ 1,6% 1.515 20.505 -18.990 -29.242 14.694
Denmark DK 1,5% 20.940 19.223 1.717 -7.895 1.159
Estonia EE 0,2% 230 2.563 -2.333 -3.615 1.838
Finland FI 1,3% 32.345 16.660 15.685 7.355 -9.319
France FR 14,2% 75.755 181.982 -106.227 -197.217 94.098
Germany DE 18,4% 476.510 235.807 240.703 122.799 -120.770
Great Britain (UK) GB 14,4% 38.795 184.545 -145.750 -238.022 127.292
Greece GR 1,7% 13.210 21.787 -8.577 -19.470 7.408
Hungary HU 1,3% 177.130 16.660 160.470 152.140 -184.043
Ireland IE 1,1% 3.270 14.097 -10.827 -17.876 9.674
Italy IT 11,8% 83.535 151.224 -67.689 -143.301 56.460
Latvia LV 0,3% 335 3.845 -3.510 -5.432 2.756
Lithuania LT 0,4% 320 5.126 -4.806 -7.369 3.674
Luxembourg LU 0,2% 2.505 2.563 -58 -1.340 431
Malta MT 0,1% 1.850 1.282 568 -72 -519
The Netherlands NL 4,0% 44.975 51.262 -6.287 -31.919 9.498
Poland PL 5,2% 12.185 66.641 -54.456 -87.777 47.751
Portugal PT 1,6% 900 20.505 -19.605 -29.857 14.694
Romania RO 2,5% 1.255 32.039 -30.784 -46.803 22.958
Slovakia SK 0,8% 325 10.252 -9.927 -15.054 7.345
Slovenia SI 0,3% 275 3.845 -3.570 -5.492 2.756
Spain ES 8,3% 14.780 106.369 -91.589 -144.774 76.221
Sweden SE 2,5% 162.455 32.039 130.416 114.397 -134.256

 

Academic research on the EU, Enlargement, Europe in the news, Euroscepticism, Future of the EU, the Netherlands

The contradictions of the Dutch referendum on the Association agreement with Ukraine

As the day of the advisory referendum in the Netherlands on the Association agreement with Ukraine nears, the bulk of the commentary seems to focus on the campaign, its trends and its context rather than the referendum question and the agreement it addresses. There have been lots of commentaries focusing on the geopolitics of the referendum, evaluating Russia’s possible attitude or role, as for example this recent piece  assessing a potential ‘no’ vote as a symbolic victory for Russia. Many analysts note the passive stance taken by the Dutch government and political parties of the government coalition who, after all, participated in the negotiations of the agreement that started all the way back in 2008. In a highly critical post, Judy Dempsey denounces the lackluster campaign by Dutch and European politicians and the lack of visible commitment to the  treaty and the values it embodies (rather than just trade) by the Dutch Prime Minister Rutte himself. In terms of the implications of the referendum results, there is little agreement on the significance of a potential ‘no’ vote. Some, consider the whole exercise to be meaningless, as given the advisory nature of the referendum, the government could ignore the results if they are negative.This post by Korteweg provides an overview of recent history of both the agreement and the Dutch referendum and of potential scenarios after the referendum.

Yet, as Kristof Jacobs pointed out in the SRV blog and also in a debate we held yesterday, the political consequences of ignoring a possible ‘no’ vote would be much wider  and harder to ignore than the legal ones. Both domestic and international consequences could be quite broad and far reaching. At least one of the government coalition parties, the Social Democrats, has committed to respecting the outcome of the referendum. Changing the wording of the Association agreement to satisfy the Dutch voters would also be quite problematic: in a total of 486 articles and 179 pages without the annexes, identifying which bits would have been found objectionable by Dutch votes in case of a ‘no’ majority would be difficult. The EU’s credibility in other international settings and policies, such as the revised European Neighborhood Policy or even ongoing enlargement process with the Western Balkans, would be compromised.

If we accept that future accessions or associations will become more and more politicized, as found in our enlargement assessment project maxcap (see here), we should try to take the question of the referendum seriously and evaluate, to the best of our current knowledge, what effects the Association agreement might have. Given its scope and the fact that establishing a Deep and Comprehensive Trade Area is quite a novel enterprise, as shown in this legal analysis, effects are difficult to estimate ex ante. The political reform provisions in the treaty, however, are both far-reaching and promising, in the clear commitment to domestic reforms in Ukraine (art 6), extensive requirements for transparency and the planned involvement of civil society (articles 299, 443). All other things being equal (which is not a given in Ukraine’s neighbourhood), the Agreement will provide both a roadmap and a set of incentives for reforms in democratic governance, as the EU has done in the past for countries like Bulgaria, Romania or Slovakia. It will be up to Ukrainian policy makers and politicians to take this opportunity. Yet rejecting the treaty by means of a negative vote in the Netherlands, or letting it exist in some kind of legal and political limbo while the Dutch government decides how to react to a potential negative result, would sap what energy and determination exist for reforms in Ukraine. So paradoxically, if we assume that at least some of the initiators of the Dutch referendum care about democracy and citizens, their democratic impulse might kill the attempts to make democracy mean something in Ukraine. This would be a strange outcome indeed.

 

Enlargement, EU law, Europe in the news, Euroscepticism, Future of the EU, the Netherlands

Between Scylla and Charybdis: how will the Dutch Presidency connect our Union to citizens?

The flow of refugees from the war zones around Syria has become more and more a test to the European Union. This is also the case for the Dutch government, which will have the EU Presidency in the coming months. Before the EU-Turkey summit on November 29 last year, the Second Chamber in the Dutch parliament had a firm message to Prime Minister Rutte before he left for Brussels: Turkey needs to increase its border controls and shelter refugees in Turkey, and there will be no concessions on the accession of Turkey to the EU. The Christian-Democratic MP Pieter Omtzigt remarked on the latest Commission progress report: “It is better to call this a deterioration report.”[1]

The EU-Turkey summit made it clear how many European political leaders struggle with the refugee problem. Next to a package of measures to substantially reduce the flow of refugees—including 3 billion in support for the establishment of camps, health and education—there was a promise for visa liberalization. The talks on Turkish accession will be resumed.[2] European leaders, including the Dutch Prime Minister Rutte, had to pull all the stops to make a “deal” with Turkey.

Whether the accession negotiations with Turkey will really take off is not clear. The Dutch Presidency does not want to relax any of the existing criteria for enlargement, as has declared again and again. It is also striking that the chapter that will be re-opened, does not follow the Commission’s current policy. This new policy puts the most difficult chapters at the start of negotiations, so that a candidate builds a track-record of its performance during the accession period. In the Turkish case this would include issues like respecting the rights of minorities and improving the functioning of the judiciary. Evidently, both Brussels and Ankara were not yet ready to engage in this litmus test.

The main question that arises is whether the opening of some chapters is nothing more than an attempt to polish the Turkish international reputation after the shooting down of a Russian yet. There is no real intention to let Turkey eventually join. At the same time, and this is the problematic issue, European citizens are given the impression that Turkish EU membership is still feasible. An important group of these citizens has, as confirmed by recent research, no interest whatsoever to allow Turkey join the EU.

Comparative research shows that among citizens, in addition to a Euro-positive discourse, several discourses exist that are very critical of more European integration and further enlargement.[3] In the Netherlands, but also in Germany, there are at least two critical discourses. The first one would like to empower citizens in the EU and make the Union more democratic. This discourse emphasizes a deepening of existing cooperation in which citizens should be more involved in European decision-making. Enlargement is not categorically rejected but is only relevant in the long run.

The second critical discourse is much more radical and points to all kinds of problems with the Union. Expansion has become, according to this discourse, too costly, the participants refer to the Eastern enlargement. Moreover, the discourse also points at the increased competition on the labor market, which reduced wages and contributed to higher unemployment rates. Accession of Turkey is rejected because, in the words of some these participants, “Islam and democracy do not mix.”

These discourses show that many are not ready to have Turkey play a role in the Union. Many citizens do not understand the recent move of European politicians to offer EU membership to Turkey as a possible solution for the migration crisis. The main challenge of the Dutch Presidency is to get around these two issues in a way that is understood and appreciated by European citizens. This requires broad political and popular discussion about the direction Europe is heading in a way in which citizens can be better involved. It requires a clear political debate on whether Turkey could become a EU member. It also requires a discussion with these very same citizens on migration and the current influx of refugees. This debate is not only a European one, but also a national debate, since these issues also affects national politics. This puts the Dutch Presidency for the exceptional and difficult task, both in Europe and the Netherlands, to navigate between Scylla and Charybdis. Without committing to such a debate, especially in these two difficult issues, Dutch citizens will lose confidence in European solutions, and eventually in Dutch politics.[4]

[1] http://nos.nl/artikel/2071400-strenge-opdracht-aan-rutte-voor-top-eu-turkije.html

[2] http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/11/29-eu-turkey-meeting-statement/

[3] B. Steunenberg, S. Petek en C. Rüth (2011) ‘Between Reason and Emotion: Popular discourses on Turkey’s membership of the EU’ South European Society 16 (3): 449-68 (zie http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/13608746.2011.598361); A. Dimitrova, E. Kortenska en B. Steunenberg (2015) Comparing Discourses about Past and Future EU Enlargements: Core Arguments and Cleavages, MAXCAP Working Paper Series, No. 13, August 2015 (zie http://www.maxcap-project.eu/system/files/maxcap_wp_13_2.pdf).

[4] A Dutch version of this post can be found at De Hofvijfer, http://www.montesquieu-instituut.nl/id/vjzxjbs5gihk/tussen_scylla_en_charybdis_hoe_verbindt