Uncategorized

Data gebruik door de overheid: De geest is uit de fles, maar wat zijn nu de grenzen?

Het is belangrijk te zien hoe de wetenschap en de praktijk de komende jaren meebewegen en gebruik (gaan) maken van data. Data die door allerlei elektronische toepassingen die wij gebruiken, beschikbaar komen. We hebben al een enorme toename aan data gezien, maar in komende jaren zal nog veel meer data beschikbaar zijn. Ook de mogelijkheden om die data te analyseren, zullen door allerlei applicaties toenemen. Binnen het vakgebied van de data science wordt hard gewerkt aan allerlei nieuwe technieken die de basis kunnen zijn van nieuwe, commerciële en niet-commerciële toepassingen.

De ontwikkelingen op dit terrein laten ook andere disciplines niet ongemoeid. Binnen de sociale wetenschappen gaan stemmen op die stellen dat meer data over gedrag een revolutie zal veroorzaken. Met deze informatie kunnen onderzoekers zich meer richten op feitelijke gedrag en niet zozeer verbale, gearticuleerde gedrag. Een tweede punt betreft de hoeveelheid. Met informatie voor de gehele populatie zijn feitelijke patronen ook de daadwerkelijke. In die gevallen is het niet meer nodig te werken met allerlei waarschijnlijkheidsmaten. Vraag blijft of een databestand nu al dan niet een populatie beschrijft. Een andere lastig punt is of sprake is van causaliteit—een associatie moet ook een basis hebben in een logisch bouwwerk van oorzaak en gevolg. Daarvoor hebben evenals in het verleden goede theorievorming nodig.

Er is ook een keerzijde van meer datagebruik. Ik noem drie belangrijke problemen.

In de eerste plaats is het gebruik van residu-data niet zonder problemen. Recent heeft de Consumentenbond verslag gedaan van onderzoek naar de kredietwaardigheid van consumenten. Daaruit blijkt dat allerlei private partijen via bedrijven informatie verzamelen over uw betalingsgedrag. Met die informatie wordt uw kredietwaardigheid bepaald. Op het moment dat u te laat uw rekeningen heeft voldaan of een betaling betwiste, kan dat tot een negatieve beoordeling leiden. Dit betekent dat u bij andere bedrijven een dienst of een levering wordt onthouden, of dat die levering alleen wordt uitgevoerd tegen hogere kosten. Tegelijkertijd is het voor consumenten erg moeilijk de reden voor die afwijkende behandeling te achterhalen en om fouten in de kredietregistratie te herstellen. Dit voorbeeld is een van de vele die vragen om meer aandacht in het huidige debat voor de juridisch-ethische grenzen van data gebruik.

De tweede keerzijde is dat data-analyserende applicaties keuzes maken die gevolgen kunnen hebben voor degenen waarvan gegevens worden geanalyseerd. De belastingdienst bijvoorbeeld maakt gebruik van ‘slimme’ applicaties die belastingaangiftes in eerste aanleg doorlichten. De gebruikte algoritmes proberen, mede op basis van logische checks en ervaringsinformatie, mogelijke belastingontwijkers te ontdekken. Maar levert die signalering altijd een ‘juiste’ detectie op? Wat zou u vinden wanneer u keer op keer een groot aantal schriftelijke vragen van de belastinginspecteur moet beantwoorden omdat u van ontwijking wordt verdacht? Zeker wanneer meer en meer geautomatiseerde technieken worden toegepast, moet er oog blijven voor de vraag of het ‘systeem’ wel een juiste conclusie formuleert. Dit betekent dat we in de komende jaren meer aandacht moeten hebben voor de gevolgen van het gebruik van verschillende analysetechnieken. Ook een duidelijke procesgang om burgers de mogelijkheid te bieden om zich te keren tegen onjuiste gevolgtrekkingen is onontbeerlijk.

Een derde keerzijde ligt in het gebruik van data voor overheidsbeleid. De verleiding is groot om een digitaal klachtenloket tegelijk te gebruiken voor het bijstellen en ‘verbeteren’ van het beleid. De vraag is of daarmee recht wordt gedaan aan alle groepen in een samenleving. Wie maakt gebruik van zo’n loket? Zijn dat niet bepaalde groepen? We weten bijvoorbeeld uit onderzoek dat hoger opgeleiden meer participeren in inspraak en beter hun weg vinden in de publieke dienstverlening dan lager opgeleiden. Dat kan ook het geval zijn bij veel digitale instrumenten. Dit betekent dat wij ook meer aandacht moeten hebben voor de vraag of beschikbare data inderdaad de noden van alle burgers vertegenwoordigen.

Wat betreft het gebruik van ‘nieuwe’ data is de geest uit de fles. Overheden, in navolging van veel bedrijven, vinden een weg en gaan meer en meer gebruik van allerlei reeds verzamelde en beschikbare data via elektronische toepassingen. Tegelijkertijd komen daarmee belangrijke vragen in beeld over de beperkingen van die informatie, maar ook over de juridisch-ethische grenzen aan het analyseren van uw gedrag.

Enlargement, EU law, Europe in the news, Euroscepticism, Future of the EU, the Netherlands

Between Scylla and Charybdis: how will the Dutch Presidency connect our Union to citizens?

The flow of refugees from the war zones around Syria has become more and more a test to the European Union. This is also the case for the Dutch government, which will have the EU Presidency in the coming months. Before the EU-Turkey summit on November 29 last year, the Second Chamber in the Dutch parliament had a firm message to Prime Minister Rutte before he left for Brussels: Turkey needs to increase its border controls and shelter refugees in Turkey, and there will be no concessions on the accession of Turkey to the EU. The Christian-Democratic MP Pieter Omtzigt remarked on the latest Commission progress report: “It is better to call this a deterioration report.”[1]

The EU-Turkey summit made it clear how many European political leaders struggle with the refugee problem. Next to a package of measures to substantially reduce the flow of refugees—including 3 billion in support for the establishment of camps, health and education—there was a promise for visa liberalization. The talks on Turkish accession will be resumed.[2] European leaders, including the Dutch Prime Minister Rutte, had to pull all the stops to make a “deal” with Turkey.

Whether the accession negotiations with Turkey will really take off is not clear. The Dutch Presidency does not want to relax any of the existing criteria for enlargement, as has declared again and again. It is also striking that the chapter that will be re-opened, does not follow the Commission’s current policy. This new policy puts the most difficult chapters at the start of negotiations, so that a candidate builds a track-record of its performance during the accession period. In the Turkish case this would include issues like respecting the rights of minorities and improving the functioning of the judiciary. Evidently, both Brussels and Ankara were not yet ready to engage in this litmus test.

The main question that arises is whether the opening of some chapters is nothing more than an attempt to polish the Turkish international reputation after the shooting down of a Russian yet. There is no real intention to let Turkey eventually join. At the same time, and this is the problematic issue, European citizens are given the impression that Turkish EU membership is still feasible. An important group of these citizens has, as confirmed by recent research, no interest whatsoever to allow Turkey join the EU.

Comparative research shows that among citizens, in addition to a Euro-positive discourse, several discourses exist that are very critical of more European integration and further enlargement.[3] In the Netherlands, but also in Germany, there are at least two critical discourses. The first one would like to empower citizens in the EU and make the Union more democratic. This discourse emphasizes a deepening of existing cooperation in which citizens should be more involved in European decision-making. Enlargement is not categorically rejected but is only relevant in the long run.

The second critical discourse is much more radical and points to all kinds of problems with the Union. Expansion has become, according to this discourse, too costly, the participants refer to the Eastern enlargement. Moreover, the discourse also points at the increased competition on the labor market, which reduced wages and contributed to higher unemployment rates. Accession of Turkey is rejected because, in the words of some these participants, “Islam and democracy do not mix.”

These discourses show that many are not ready to have Turkey play a role in the Union. Many citizens do not understand the recent move of European politicians to offer EU membership to Turkey as a possible solution for the migration crisis. The main challenge of the Dutch Presidency is to get around these two issues in a way that is understood and appreciated by European citizens. This requires broad political and popular discussion about the direction Europe is heading in a way in which citizens can be better involved. It requires a clear political debate on whether Turkey could become a EU member. It also requires a discussion with these very same citizens on migration and the current influx of refugees. This debate is not only a European one, but also a national debate, since these issues also affects national politics. This puts the Dutch Presidency for the exceptional and difficult task, both in Europe and the Netherlands, to navigate between Scylla and Charybdis. Without committing to such a debate, especially in these two difficult issues, Dutch citizens will lose confidence in European solutions, and eventually in Dutch politics.[4]

[1] http://nos.nl/artikel/2071400-strenge-opdracht-aan-rutte-voor-top-eu-turkije.html

[2] http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/11/29-eu-turkey-meeting-statement/

[3] B. Steunenberg, S. Petek en C. Rüth (2011) ‘Between Reason and Emotion: Popular discourses on Turkey’s membership of the EU’ South European Society 16 (3): 449-68 (zie http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/13608746.2011.598361); A. Dimitrova, E. Kortenska en B. Steunenberg (2015) Comparing Discourses about Past and Future EU Enlargements: Core Arguments and Cleavages, MAXCAP Working Paper Series, No. 13, August 2015 (zie http://www.maxcap-project.eu/system/files/maxcap_wp_13_2.pdf).

[4] A Dutch version of this post can be found at De Hofvijfer, http://www.montesquieu-instituut.nl/id/vjzxjbs5gihk/tussen_scylla_en_charybdis_hoe_verbindt

Uncategorized

Met Europa verbonden. En dan?

Met Evert-Jan Mulder, Principal Consultant Europa/Internationaal PBLQ

Inleiding

Recent heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur advies uitgebracht over de relatie tussen Europa en decentrale overheden. De ROB constateert in dit advies dat Europa (lees de Europese Unie) een steeds grotere invloed heeft op decentrale overheden. Enerzijds “moeten” overheden steeds meer van Brussel, als gevolg van toenemende wet- en regelgeving. Anderzijds biedt Europa ook diverse kansen, in termen van samenwerking, kennisontwikkeling en financiering. Kortom, decentrale overheden zijn en worden steeds meer met Europa verbonden. Dat is dan ook de titel van het ROB-advies.

“Met Europa verbonden” kijkt vooral naar de bestuurlijk-juridische gevolgen van deze toenemende vervlechting tussen Europa en de decentrale overheden. Met name de interbestuurlijke verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden binnen de Europese context komen aan bod. De ROB constateert hier een interessante ontwikkeling. Enerzijds neemt de bemoeienis van de EU met nationaal beleid toe, anderzijds is er sprake van een afnemende verantwoordelijkheid van het rijk als gevolg van allerlei decentralisaties. Wat zijn hiervan de gevolgen voor de bestuurlijke verhouding tussen Europa en de Nederlandse overheid, en wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse interbestuurlijke verhoudingen? Voeren straks bijvoorbeeld de provincies de onderhandelingen over het milieubeleid—dat steeds meer een verantwoordelijkheid van de provincies is geworden—in plaats van het ministerie van I&M?

Het ROB-advies gaat niet in op de vraag wat de effecten zijn van de toenemende Europeanisering van decentrale overheden en welke factoren daarop van invloed zijn. Het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden (Campus Den Haag) heeft in 2012, in samenwerking met PBLQ, deze vraag onderzocht voor gemeenten. Het onderzoek, uitgevoerd door een aantal Master studenten, was gebaseerd op diepteonderzoek in 8 gemeenten (op basis van verschillende kenmerken geselecteerd) en een survey waarop 147 van de 418 gemeenten hebben gereageerd (respons van 35,4%). Het onderzoek is daarmee een goede graadmeter van de wijze waarmee Nederlandse gemeenten met de EU omgaan. Hoofdconclusie is dat gemeenten nog (lang) niet alle kansen pakken die de EU ze biedt.

Bevindingen

De onderzoekers hebben gekeken in hoeverre verschillende gemeentelijke kenmerken van invloed zijn op de wijze waarop gemeenten met de Europese Unie omgaan. Het blijkt dat bevolkingsdichtheid en gemeentegrootte inderdaad invloed hebben op de verhouding die de gemeente heeft met Europa. Zo hebben landelijke gemeenten minder vaak een specifieke Europa-strategie en achten de ambtenaren van die gemeenten de EU minder relevant voor hun organisatie. Ook vinden landelijke gemeenten het lastiger om Europese subsidies te verkrijgen. Grotere (en vaak niet-landelijke) gemeenten komen makkelijker aan Europese fondsen, althans naar het oordeel van de onderzochte gemeenteambtenaren.

Mogelijke verklaringen hiervoor liggen in het feit dat in grotere gemeenten meer aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van een Europa-strategie, zoals uit het onderzoek blijkt. Daarnaast is er in grote gemeenten meer capaciteit om met Europese zaken om te gaan en voor het verspreiden en borgen van relevante kennis. In kleine gemeenten geven ambtenaren aan dat er onvoldoende kennis aanwezig is om actief met de EU om te gaan.

Wellicht belangrijker nog dan de beschikbare capaciteit is het feit dat grote gemeenten vaker een proactieve houding hebben ten aanzien van de EU. Grote gemeenten zien de EU eerder als een kans om gemeentelijke doelstellingen te realiseren dan kleine gemeenten. In het verlengde daarvan werken grotere gemeenten vaker samen met andere gemeenten en lobbyen actief in Brussel, wat de kans op toewijzing van een subsidie vergroot. Zodra een gemeente eerder een subsidie heeft ontvangen zijn ambtenaren aanzienlijk positiever over de mogelijkheden die Europese subsidieregelgeving schept voor lokale overheden.

Succesvolle “europeanisering” is voor een belangrijk deel gestoeld op het verzamelen van kennis en het vervolgens integreren van die kennis in de gemeentelijke organisatie. Of zoals een ambtenaar van één van de vijf grootste gemeenten hierover zegt: “Kennis over meer actuele ontwikkelingen is beperkt aanwezig, terwijl daar juist de belangrijke aanknopingspunten zitten om invloed uit de oefenen op wat er in Brussel, maar ook op wat bij het Rijk, gebeurt, en te sturen op de gevolgen voor de gemeente”. Kleinere gemeenten geven aan dat zij die kennis in onvoldoende mate hebben. Ook worden ambtenaren in kleine gemeenten nauwelijks gestimuleerd om hun kennis over Europa up-to-date te houden. Ongeveer 70 procent van de onderzochte ambtenaren gaf aan dat dit een verbeterpunt is. Wel geven sommige kleinere gemeenten aan dat wanneer meer complexe kennis nodig is, deze extern wordt aangetrokken.

Interessant punt is ook de wijze waarop gemeenten met Europees geld omgaan. In veel gevallen zijn de huidige werkzaamheden en doelen van de gemeenten niet het vertrekpunt om subsidies te zoeken, maar wordt eerst gekeken naar de programma’s voor Europese subsidies, waar vervolgens weer projecten bij gezocht worden. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat er een groep ambtenaren bestaat die niet eens op de hoogte is van het feit dat hun gemeente een Europese subsidie ontvangt.

Conclusie

Het onderzoek laat zien dat er duidelijke verschillen bestaan tussen grote en kleine gemeenten als het gaat om hun houding ten aanzien van Europa. Grote gemeenten blijken vaker een ‘Europa-strategie’ te hebben, beter op de hoogte te zijn van Europese wet- en regelgeving en succesvoller te zijn in het verkrijgen van Europese subsidies. Voor een deel is dit te verklaren door de grotere capaciteit en financiële middelen die grote gemeenten hebben. Nog belangrijker is dat grote gemeenten Europa als meer relevant ervaren en dus een meer actieve houding hebben ten aanzien van de EU.

Het hebben van een proactieve houding ten aanzien van Europa blijkt alle betrekkingen met de EU ten goede te komen, of het nu gaat om kennis van Europese wet- en regelgeving (en daarmee kosteneffectiever omgaan) of het verwerven van Europese subsidies. Bij grote gemeenten ontstaat deze bewustwording en actieve houding wat makkelijker doordat men bijvoorbeeld een speciale Europa-afdeling kan opzetten.

Kleine gemeenten kunnen op dit vlak echter ook hun voordeel doen. Het onderzoek laat zien dat kleine gemeenten vaak externe partijen aantrekken bij complexere problematiek. Het nadeel hiervan is dat die kennis vervolgens niet binnen de organisatie wordt geborgd. Anderen zoeken een oplossing gevonden door het opzetten van samenwerkingsverbanden met andere gemeenten. Deze oplossing bespaart capaciteit bij de betrokken gemeenten en zorgt er tegelijkertijd voor dat kennis uitgewisseld en geborgd wordt in de organisatie. Dat bevordert tevens de houding die ambtenaren hebben ten aanzien van de EU. Bovendien zijn gemeenten die al samen lobbyen voor subsidies vaker succesvol hierin.

Samenwerking kan ook op een hoger, bestuurlijk niveau. In plaats van ‘ieder voor zich’ zou een overkoepelende organisatie vooral kleinere gemeenten kunnen steunen, zowel in kennis als belangenbehartiging. De VNG of het Kenniscentrum Europa Decentraal zouden deze rol (meer) op zich kunnen nemen en uitwisseling van ervaringen tussen alle gemeenten kunnen stimuleren. Dat biedt mogelijkheden tot uitwisseling tussen gemeenten, maar ook om met anderen een sterkere positie te verwerven ten aanzien van vraagstukken die in Europa worden bepaald.

Hoe verder?

De conclusies uit het onderzoek van de Universiteit Leiden en PBLQ laat een aardige discrepantie zien met de conclusie van de ROB uit “Met Europa verbonden”. De ROB constateert terecht een onmiskenbare groeiende beleidsimpact van de Europese Unie op decentrale overheden. Tegelijkertijd laat het onderzoek van Leiden en PBLQ zien dat deze beleidsimpact zich niet meteen vertaalt in adequate organisatorische aandacht voor de EU. Er is bij gemeenten nog veel te winnen waar het gaat om onder meer bewustzijn van het belang van de EU, het ontwikkelen en borgen van EU-expertise, het formuleren van een concrete EU-strategie en het benutten van EU-subsidies. Deze conclusie spoort met uitkomsten uit eerder onderzoek dat PBLQ heeft verricht onder een groot aantal ambtenaren van zowel centrale als decentrale overheden (Europa, wat doe je ermee?). Voor gemeenten betekent dit dat de komende tijd meer zal moeten worden geïnvesteerd in de relatie met Europa. Daar kunnen en moeten landelijke organisaties zoals de VNG en Europa Decentraal een entamerende en faciliterende rol bij vervullen.

Uiteindelijk zijn gemeenten echter zelf verantwoordelijk voor de concretisering van de relatie met Europa. Dat betekent dat zij op zijn minst aandacht moeten schenken aan de volgende drie onderwerpen:

  • In de eerste plaats moeten zij zelf op de hoogte zijn van wat er speelt op Europees niveau. Dat betekent dat monitoring van de EU moet plaatsvinden vanuit de verschillende taken en verantwoordelijkheden van de gemeente.
  • In de tweede plaats moeten gemeenten beleidsmatig hun relatie met Europa definiëren. Hoe raakt Europa de gemeente? Waar liggen de kansen, waar liggen verplichtingen, en waar liggen samenwerkingsmogelijkheden met Europa maar ook met de buurgemeenten en de provincie?
  • Tot slot moeten gemeenten een EU strategie hebben, die de geformuleerde Europese doelen vertaalt in een concreet handelingsperspectief, met ‘namen en rugnummers’.

Alleen op deze manier kunnen gemeenten daadwerkelijk invulling geven aan hun verbinding met Europa.

Britain, Economic policy and the Single Market, Euro, Future of the EU, Regional policy and co-operation, Social policy and anti-discrimination, Uncategorized

Challenges for European regions: social-economic problems and the need for more Europe-wide democracy

Celebrating the 20th anniversary of Randstad Regio last week in Brussels, the question arose what the future is for European regions. The economic crisis seems to strengthen the tendency towards centralization both in the European Union (for example, fiscal policy making) as well as in its member states. Still, regions as well as municipalities could play an important role in the Union that is troubled by limited legitimacy. Many citizens do not regard the Union as the government that is providing public services to them.

The economic crisis has led, as an emergency measure, to closer European cooperation on fiscal policy making. With the coming into force of the Fiscal Compact, the member states have designed a complex arrangement of fiscal norms as well as monitoring devices to control national government spending. What is fascinating about this development is that the increase of European fiscal power will reinforce a call for a European view on social-economic policy. Fiscal and social-economic policy making often go hand-in-hand and cannot be easily disconnected. National budgets were often used to combat economic stagnation and to stimulate economic growth and employment. Moreover, these problems have a strong spatial component, because economic problems are not the same in all parts of the EU (or a country if you wish), while solutions to these problems often have a strong regional component. Here lies a first challenge to European regions in the coming years. How can they support and contribute to social and economic development, together with others? And how can regions participate in the further development of these policies both at the national and the European level? In my view, their input will be essential for the success of these policies.

The second and but connected issue relates to the role of citizens in Europe—since 2013 is the year of the European Citizen, it warrants further attention. In his speech on the future of Europe David Cameron mentions one point I agree with and that is that citizens still have a problem identifying Europe as a government for them. I disagree with Cameron that a possible British exit would be the right answer to this problem, but that is a different issue. It seems that so far we have not given a good answer to this problem. In a reply to Cameron, the president of the European Parliament, Martin Schultz, proposes to have more transparency and ‘open’ debates in Europe. I am not convinced that this is the way to go.

Our national governments, including regions, are struggling with the increased mobility of goods, persons and services, while citizens also would like to see their local and national choices being respected. In trying to be as efficient and effective as possible, the Union seems to have taken on more and more tasks over time. Many problems nowadays have cross border effects suggesting that solutions need to be developed at the European level. But is that really necessary? Not all problems with cross border effects need to be resolved by Brussels. Not all problems put on the European agenda need to lead to Europe-wide legislation. Subsidiary needs to be taken seriously, also when it concerns the distribution of tasks between national and sub national governments. Unfortunately, for many the consequences of greater mobility are not yet clear. Moreover, often this discussion is dominated by nationalism and populist rhetoric. Still, what is needed is a discussion about the role of various levels of governments in Europe, including regions. If we want to be democratic, we may have to live with some policy inefficiency. When regional governments can no longer adapt their policy to the demands of their citizens, our democracies will be in danger. That is a second challenge for all of us, also for regions!

Uncategorized

Visions on Europe: what is your view on the ‘new’ Europe after the crisis?

We will starting a new Honours Class at Leiden soon on ‘Visions on Europe‘. What kind of Union do we want? How will the Union look after the current crisis? Will it be a more federal Europe, or one in which nation states still be the dominant actors? Or, only Union on intergovernmental governance dealing with the common market? What is your vision on Europe?  Students at Leiden University can participate in this experience: they will present their vision as a movie. Interested? Go to the Leiden University webpages and join us! Alternatively, post your vision on our blog.

Euro, Europe in the news, the Netherlands

Idealen en geen boekhouders maken Europa!

Europa gaat gebukt onder een crisis die vooral het onvermogen van de Europese politiek duidelijk maakt. Omdat iedereen mag meepraten en natuurlijk een eigen visie heeft, worden slechts minuscule stapjes gezet in de hoop daarmee Europa en de euro te redden. Misschien is die ‘slakkenvaart’ het nieuwe wapen in de strijd tegen het afkalvende vertrouwen in de euro en de Europese politiek. Met het opstellen van de nieuwe ‘fiscal compact treaty’ geven de Europese leiders aan meer trots te zijn op hun boekhoudkundige kwaliteiten dan hun visie. Strenge begrotingsregels, schuldlimieten en straffen, geflankeerd door een financieel-economische risicoverkenning aan de hand van de Commissie, is hun ‘oplossing’ voor de huidige impasse. Europese samenwerking wordt daarmee verengd tot ‘afspraken’ en ‘afrekenen’. Voldoe je niet aan je target, dan vlieg je de deur uit, zo lijkt het wel. Misschien een interessant model voor een bedrijf dat snel geld wil verdienen, maar een desastreus model voor internationale samenwerking.

Europese samenwerking moet winst opleveren, zo lijkt het wel. In Nederland heeft de voormalige Minister van Financiën, Gerrit Zalm, hieraan bijgedragen. In zijn pleidooi om de Nederlandse bijdrage aan Europa te verlagen, is samenwerking verengd tot geld verdienen. Nederland zou geen nettobetaler moeten zijn, maar juist aan Europa moeten verdienen. Dat idee van nettobetaler is ten onrechte blijven hangen. Weliswaar geven wij op dit moment ongeveer 150 euro per hoofd van de bevolking uit aan Europa, de voordelen van die samenwerking zijn veel groter. Recent heeft het CPB becijferd dat ons nationaal inkomen hoger is door de gemeenschappelijke markt. Dat voordeel ligt op ongeveer 1500 euro per persoon. Ook is berekend dat de ‘winst’ van de invoering van de euro per persoon wat kleiner is, maar nog wel positief, namelijk ongeveer een weeksalaris (http://www.cpb.nl/publicatie/europa-in-crisis).

Meer principieel is de versmalling van Europese samenwerking naar economisch voordeel onjuist. Vraagt u zich ook wekelijks af wat de financiële waarde van uw partner is? Berekent u ook jaarlijks de opbrengsten van uw kinderen? Maak u alleen vriendschappen wanneer die uw maandinkomen vergroten? Ik niet, en ik zou er ook niet aan moeten denken. En daarmee raken we de kern van de huidige impasse. Omdat ieder land zich enorm fixeert op ‘wat levert het mij op?’, is de huidige crisis moeilijk op te lossen. We hebben hierbij te maken met wat vaak een prisoners’ dilemma wordt genoemd: hoewel voor alle lidstaten samenwerking de beste optie is, denkt elke lidstaat afzonderlijk de anderen te slim af te zijn door vooral de eigen prioriteiten te blijven volgen. Daarmee ontstaat de desastreuze uitkomst dat samenwerking niet van de grond komt, en, zoals het oorspronkelijke dilemma dat aangeeft, de ‘gevangenen elkaar verraden’. Het resultaat is een suboptimale uitkomst die ver van samenwerking afstaat. Deelbelangen zegevieren over het gemeenschappelijke belang en dat brengt oplossing van de huidige crisis niet dichterbij.

Om dit dilemma te doorbreken zullen de lidstaten op een andere wijze naar Europa moeten gaan kijken. Dit vraagt een nieuwe visie op Europa. Een visie op wat wij willen bereiken. Niet alleen handel, maar ook vrede, veiligheid en het behouden van gemeenschappelijke waarden als vrijheid, sociale rechtvaardigheid en democratie zouden daarbij een meer prominente rol moeten spelen. Samenwerking werkt wanneer we ervan overtuigd zijn dat deze waarden belangrijk zijn. Ook moeten Europese leiders bereid zijn dat aan hun kiezers over te brengen.

Daarnaast is samenwerking meer dan een winst- of verliesrekening waarbij, op het moment dat het even tegenzit, die samenwerking meteen wordt opgegeven. Er kan op de korte termijn zeker bestraffend worden opgetreden op het moment dat een lidstaat zich niet aan de afspraken houdt, maar voor de langere termijn is wederzijds begrip en solidariteit noodzakelijk. De Unie kan daarom niet uitsluitend maatregelen nemen die louter in het belang zijn van economisch sterke landen als Duitsland en Nederland. Verder is de huidige focus op de korte termijn een slechte raadgever: de Europese kip met de gouden eieren is ziek. Alhoewel de ingreep voor sommigen heel pijnlijk is, en het medicijn ons geld kost, is het uiteindelijke herstel voor alle Europese landen belangrijk. Versterking van het noodfonds, een ruimere rol voor de ECB en de mogelijkheid Europees kapitaal aan te trekken voor de financiering van (een deel van) de staatsschuld moeten onderdeel zijn van die aanpak.

Tot slot lijken de Europese leiders steeds weer door hun eigen inactiviteit overvallen te worden. Daardoor ontstaat een bijna permanente crisissituatie waarbij democratie naar de zijlijn is verwezen. Weliswaar grijpt menig regeringsleider terug op zijn of haar nationale parlement, maar Europese democratie is meer dan de optelsom van nationale democratieën. Sterker nog, die wijze van verantwoorden versterkt juist de nadruk op nationale deelbelangen die het oplossen van de Europese crisis in de weg staat. Op Europees—het gemeenschappelijke—niveau zijn geen voorziening getroffen. Duitsers, Britten, Spanjaarden, Nederlanders en anderen kunnen zich in nationale parlementen uitspreken. Maar niemand legt in Europa verantwoording af. Daarmee zijn we bij een belangrijke zwakte van het huidige bestuurlijke bestel. Ook het te voeren sociaaleconomische en financiële beleid in Europa vraagt om democratie!

Euro

Europese Commissie moet Eurolanden saneren, niet het IMF!

Velen menen dat het IMF een belangrijke rol moet hebben bij het oplossen van de eurocrisis. Zoals Roel Janssen recent in het NRC betoogde. De ophemeling van het IMF komt voort uit argwaan tegen de Europese regeringsleiders die na maandenlang dralen nog steeds geen duidelijke maatregelen hebben genomen om de crisis rondom onze munt voor eens en altijd op te lossen.

Kern van het probleem is dat het huidige bestuurlijke arrangement van de eurozone heeft gefaald. De regeringsleiders zijn, zoals pijnlijk duidelijk is geworden, niet in staat om de problemen aan te pakken. Binnen de boezem van de Europese Raad is consensusvorming nog steeds de norm. Maar struikelend over nationale tegenzin komt men niet veel verder. Daarnaast hebben de lidstaten al jaren geleden de ‘supranationale’ scheidsrechter buiten de deur gezet. Toen in 2003 de nationale begrotingen van Duitsland en Frankrijk uit de pas begonnen te lopen, heeft men meteen het Europese sanctiemechanisme buiten werking gesteld. De Europese Commissie, die toen veel zorgen over de begrotingsdiscipline in die landen had, werd stevig teruggeroepen. Daarmee was de kiem van een veel grotere probleem gelegd.

Opnieuw staan Duitsland en Frankrijk te tobben over de vraag hoe we verder moeten gaan. Met de maatregelen om het economische bestuur in de Unie te verbeteren, worden de eerdere normen weer op het schild gehesen. Met steun van Nederland vindt men dat de begrotingsdiscipline in ere moet worden hersteld. Ook de Commissie als scheidrechter komt weer in beeld. De vraag is wie de sanering van de probleemgevallen moet aanpakken en hoe we verder gaan. Op dat punt lopen de meningen uiteen.

Sommigen wijzen naar het IMF als betrouwbare curator met jarenlange ervaring. In ruil voor financiële steun moet een land het eigen huishoudboekje saneren. Dat zijn pijnlijke keuzes waarvoor menig nationaal politicus terugschrikt. In de klassieke vorm is dat geen probleem: omdat het probleemland de gevolgen van de eigen keuze draagt, kan men zelf een tempo bepalen. Voor de Unie ligt dat anders: omdat de eurolanden zich monetair aan elkaar verbonden hebben, zal twijfel over de kredietwaardigheid van de één invloed hebben op het vertrouwen in de euro en daarmee op de andere landen. Die samenhang maakt dat het saneringsproces een zaak blijft van de Unie. Het ligt voor de hand dat de Europese Commissie als belangrijkste uitvoeringsorganisatie een belangrijke rol in dat proces heeft. Bovendien kan de Commissie dankbaar gebruik maken van de eerdere ervaringen met ingrijpende, maar succesvolle, hervormingen van landen in Midden en Oost-Europa.

In de tweede plaats hebben de lidstaten van de Unie, waaronder de eurolanden, veel werk gemaakt om de gemeenschappelijke markt te vormen, waaronder het wegnemen van belemmeringen tegen oneerlijke concurrentie. Dat beleid heeft betrekking op een scala van onderwerpen, waaronder sociaal beleid en milieu. Dit beleid moet een randvoorwaarde zijn voor de saneringen. Dat vraagt gevoel voor de doelstellingen van de Unie. Ook moet worden voorkomen dat het saneringsproces de uitvoering van het bestaande Europese beleid aantast, want anders wordt het proces van integratie nog verder ondergraven. Dat is dan vooral in het nadeel van de financieel nog gezonde landen. Om dat te bewaken is opnieuw de rol van de Commissie essentieel.

In de derde plaats biedt het binnenrollen van het IMF geen oplossing voor het falen van het Europese bestuur. Het is alsof de gemeente Den Haag de Austin County Sheriff vraagt om bij ons de wegenverkeerswet te komen naleven. Sterker nog, die ‘oplossing’ verhult het echte probleem. Willen we doorgaan met een gemeenschappelijke munt, dan moet het bestuur van de eurozone worden gewijzigd. Minder nationale veto’s en minder handjeklap over ieders financiële beleid. Meer bevoegdheden voor Brussel waarbij het essentieel is dat ook het Europese Parlement bij de kaderstelling wordt betrokken. Ook moeten de gemaakte afspraken kunnen worden afgedwongen door controle op de nationale overheidsfinanciën en het opleggen van sancties op het moment dat het verkeerd dreigt te gaan. In deze structuur moet de Commissie, naast de ECB, een centrale positie als uitvoerder hebben. Indien het toch mis gaat, moet de Unie lidstaten tijdelijke een speciale status kunnen geven, zoals wij dat bijvoorbeeld in Nederland kennen voor lagere overheden die financieel aan de grond zitten. In dat geval volgt gedwongen sanering onder leiding van de Commissie met noodhulp als beloning.

Om deze drie redenen heeft de Unie een duidelijk belang om zelf orde op zaken te stellen. In dat proces moet niet het IMF maar de Commissie de mogelijkheid krijgen het voortouw te nemen. Gebeurt dat niet, dan wordt opnieuw de kern van het probleem vermeden, met alle gevolgen van dien. Dan kan alsnog de County Sheriff om hulp worden gevraagd.